ECLI:NL:GHARL:2021:2336

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 maart 2021
Publicatiedatum
10 maart 2021
Zaaknummer
Wahv 200.255.491/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 6:22 AwbArt. 7:26 AwbArt. 8 Wahv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing officier van justitie inzake Wahv-sanctie kentekenhouder

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen de beslissing van de kantonrechter die het beroep tegen een sanctie van de officier van justitie ongegrond verklaarde. De sanctie betrof een boete van €140,- opgelegd aan de kentekenhouder wegens het niet gebruiken van de rijbaan op een bepaalde datum en locatie.

Het hof oordeelde dat de officier van justitie niet adequaat op een verweer was ingegaan, wat een motiveringsgebrek opleverde dat niet met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro kon worden gepasseerd. Hierdoor was de beslissing onvoldoende gemotiveerd en werd het beroep tegen de officier van justitie gegrond verklaard en diens beslissing vernietigd.

Tegelijkertijd beoordeelde het hof het beroep tegen de inleidende beschikking waarin de sanctie aan de kentekenhouder was opgelegd. Het hof stelde vast dat staandehouding niet mogelijk was omdat het voertuig wegreed en dat de sanctie daarom terecht aan de kentekenhouder was opgelegd. Hoewel in de beschikking niet was gewezen op artikel 8 Wahv Pro, was de betrokkene hierdoor niet in zijn belangen geschaad. Het beroep tegen de inleidende beschikking werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: De beslissing van de officier van justitie wordt vernietigd wegens ondeugdelijke motivering, het beroep tegen de sanctie aan de kentekenhouder wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.255.491/01
CJIB-nummer
: 213465040
Uitspraak d.d.
: 10 maart 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland van 13 november 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert allereerst aan dat de kantonrechter terecht heeft overwogen dat de beslissing van de officier van justitie berust op een ondeugdelijke motivering, maar dat de kantonrechter deze beslissing vervolgens ten onrechte niet heeft vernietigd.
2. In administratief beroep heeft de gemachtigde een aanvullend beroepschrift ingediend met daarin gronden over de onterechte toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv.
3. Niet blijkt dat de officier deze grond in zijn oordeel heeft betrokken. De officier van justitie heeft – kort samengevat – geoordeeld dat doorslaggevende betekenis wordt toegekend aan de waarneming van de ambtenaar.
4. De kantonrechter heeft overwogen dat de officier van justitie ten onrechte niet is ingegaan op de grond over de toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv. De gemachtigde heeft echter niet onderbouwd waarom staandehouding wel mogelijk was. De ambtenaar mocht volstaan met bekeuren op kenteken. Naar het oordeel van de kantonrechter is de betrokkene door het verzuim van de officier van justitie niet in enig belang geschaad.
5. Naar het oordeel van het hof berust de beslissing van de officier van justitie niet op een deugdelijke motivering zoals artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht eist. Wat de officier van justitie heeft overwogen aangaande het door de gemachtigde gevoerde verweer, levert geen afdoende reactie daarop op. Immers blijkt uit de motivering niet dat het verweer in de beslissing is betrokken. De gemachtigde heeft niet enkel de gedraging betwist. Door de ondeugdelijke motivering van de beslissing van de officier van justitie heeft de gemachtigde geen adequate reactie gekregen op het door hem gevoerde verweer. Dat de kantonrechter wel op dit verweer ingaat, betekent niet dat geen rechtens te erkennen belangen zijn geschaad. De kantonrechter heeft gelet hierop de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand gelaten.
6. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen en, doen wat de kantonrechter had moeten te doen, namelijk het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren, die beslissing vernietigen en vervolgens het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
7. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “als bestuurder van een rijdend motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 29 november 2017 om 13.16 uur op de Stationsstraat in Elst met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
8. De gemachtigde voert verder aan dat de sanctie ten onrechte aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd. Artikel 5 van Pro de Wahv is niet bedoeld voor situaties als de onderhavige. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 5 van Pro de Wahv blijkt dat dit artikel in het leven is geroepen voor situaties waarbij in het geheel geen ambtenaar aanwezig is. Genoemd worden de constateringen met behulp van technische middelen en parkeerovertredingen. Uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt niet dat wanneer de ambtenaar in burger is gekleed, in privétijd is of de verkeersdrukte het niet toelaat, artikel 5 van Pro de Wahv mag worden toegepast. Er is dan namelijk wel een ambtenaar aanwezig. Omdat in deze zaak geen sprake is van een parkeerboete of een constatering met behulp van technische middelen, kan artikel 5 van Pro de Wahv niet worden toegepast.
9. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
10. Het hof volgt de gemachtigde niet in zijn standpunt dat uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat artikel 5 van Pro de Wahv alleen bedoeld is voor situaties waarbij de gedraging met behulp van technische middelen is geconstateerd of in geval van parkeerovertredingen. De voorbeelden in de totstandkomingsgeschiedenis waarop de gemachtigde dit standpunt baseert, behelzen geen limitatieve opsomming. Dit betekent dat ook in andere situaties dan situaties in de genoemde voorbeelden een sanctie aan de kentekenhouder kan worden opgelegd zonder dat voorafgaande staandehouding heeft plaatsgevonden. Daarbij is het uitgangspunt, zoals onder 9. is overwogen, dat slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, de sanctie aan de kentekenhouder mag worden opgelegd.
11. Het zaakoverzicht vermeldt in dit verband dat staandehouding niet mogelijk was omdat het voertuig wegreed. De ambtenaren waren te voet en konden geen stopteken geven aan het wegrijdende voertuig. Naar oordeel van het hof blijkt uit deze verklaring voldoende dat er geen reële mogelijkheid tot staandehouding was en de sanctie terecht aan de kentekenhouder is opgelegd.
12. Verder voert de gemachtigde aan dat in de inleidende beschikking niet is gewezen op het bepaalde in artikel 8.
13. Het hof stelt vast dat in de inleidende beschikking niet is gewezen op het bepaalde in artikel 8 van Pro de Wahv. Daarom is sprake van schending van artikel 5 van Pro de Wahv. Het hof zal echter de inleidende beschikking met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in stand laten. Niet gebleken is dat de betrokkene door het ontbreken van de verwijzing naar de disculpatiegronden van artikel 8 van Pro de Wahv in zijn (verdedigings)belangen is geschaad. De gemachtigde heeft dit ook niet gesteld. Gelet hierop is aannemelijk dat de betrokkene door deze schending niet is benadeeld.
14. Gelet op het voorgaande wordt het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.