De verdachte was in eerste aanleg veroordeeld door de politierechter tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één week met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van zestig uur, te vervangen door dertig dagen hechtenis bij niet-naleving.
In hoger beroep voerde de raadsvrouw van verdachte aan dat hij volledig ontoerekeningsvatbaar zou zijn vanwege een ernstige psychische stoornis, onderbouwd met een brief van een gedragsdeskundige. Het hof stelde vast dat het dossier geen NIFP-rapporten bevatte en dat de brief onvoldoende bewijs leverde dat verdachte ten tijde van de feiten volledig ontoerekeningsvatbaar was.
Verdachte gaf aan dat het goed met hem gaat, hij woont in een begeleide setting en werkt als timmerman. Het hof oordeelde dat het beroep op volledige ontoerekeningsvatbaarheid onvoldoende was onderbouwd en bevestigde het vonnis van de politierechter met een aanvulling van de gronden.
Daarnaast werd een immateriële schadevergoeding van €150 toegewezen aan de benadeelde partij, met wettelijke rente vanaf 28 augustus 2018. De duur van gijzeling werd gesteld op maximaal drie dagen, en de taakstraf blijft gehandhaafd met de mogelijkheid tot vervanging door hechtenis.