ECLI:NL:GHARL:2021:2423
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afgekochte pensioenrechten in eigen beheer vallen niet onder Wet verevening pensioenrechten bij scheiding
Partijen zijn in 1991 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden zonder verrekenbeding en zijn elk voor 50% aandeelhouder en werknemer van een BV waarin zij pensioen in eigen beheer hebben opgebouwd. In 2017 zijn zij feitelijk uit elkaar gegaan en hebben zij hun pensioenrechten in eigen beheer afgekocht met wederzijdse schriftelijke toestemming.
De vrouw vorderde in eerste aanleg dat de afkoopbedragen van het pensioen in eigen beheer met elkaar verrekend zouden worden. De rechtbank wees dit toe, maar de man ging in hoger beroep tegen deze beslissing. Het hof oordeelt dat door de afkoop van het pensioen er op het moment van echtscheiding geen pensioen meer aanwezig was in de zin van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps).
Het hof stelt dat verrekening op grond van de Wvps daarom niet mogelijk is. De vrouw kon geen feiten aanvoeren die een afwijking van dit wettelijke systeem rechtvaardigen. Ook het argument van de vrouw dat zij als waren zij in gemeenschap van goederen leefden, leidt niet tot een verdeling van de afgekochte pensioenrechten. Het hof vernietigt de bestreden beschikking en wijst het verzoek van de vrouw af, veroordeelt haar tot terugbetaling van het reeds betaalde bedrag met rente en compenseert de proceskosten in hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot verrekening van de afkoopbedragen af en veroordeelt de vrouw tot terugbetaling met rente.