ECLI:NL:GHARL:2021:2437

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 maart 2021
Publicatiedatum
15 maart 2021
Zaaknummer
Wahv 200.257.959/01
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 5 WahvArt. 8 Wahv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie kentekenhouder bij niet-staandehouding wegens prioriteitsmelding

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het negeren van een rood verkeerslicht op 21 december 2017 in Den Haag. De sanctie werd opgelegd aan de kentekenhouder zonder staandehouding, omdat de ambtenaar onderweg was naar een prioriteitsmelding waarbij directe politie-inzet noodzakelijk was.

De gemachtigde voerde aan dat artikel 5 Wahv Pro niet van toepassing was en dat de sanctie onterecht was opgelegd zonder staandehouding. Het hof oordeelde dat artikel 5 Wahv Pro ook in dergelijke situaties kan worden toegepast wanneer geen reële mogelijkheid tot staandehouding bestond.

Hoewel de betrokkene niet is gewezen op artikel 8 Wahv Pro in de beschikking, leidde dit niet tot schending van een rechtens te respecteren belang. Het hof verwierp het beroep en bevestigde de beslissing van de kantonrechter, en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €230 aan de kentekenhouder wegens door rood licht rijden zonder staandehouding vanwege prioriteitsmelding.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.257.959/01
CJIB-nummer
: 213480818
Uitspraak d.d.
: 15 maart 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 14 maart 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie had moeten vernietigen wegens een motiveringsgebrek. De officier van justitie gaat voorbij aan de gronden van het administratief beroep en overweegt ten onrechte dat sprake is van een ambtsedige verklaring.
2. Het hof stelt vast dat de officier van justitie in de beslissing (zij het summier) is ingegaan op de door de gemachtigde aangevoerde beroepsgronden. Van een motiveringsgebrek is dus geen sprake. De enkele omstandigheid dat de officier van justitie ten onrechte spreekt van een ambtsedige verklaring, maakt niet dat de kantonrechter de beslissing had moeten vernietigen.
3. De bezwaren richten zich verder tegen de opgelegde sanctie. Bij de inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 december 2017 om 19.42 uur op het Spui in ʼs-Gravenhage met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
4. De gemachtigde voert aan dat de sanctie ten onrechte is opgelegd met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv. Artikel 5 van Pro de Wahv is - zakelijk weergegeven - niet bedoeld voor situaties als de onderhavige, maar voor situaties waarbij in het geheel geen ambtenaar aanwezig is of situaties waarbij in het geheel geen overtreder aanwezig is.
5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat onder meer de volgende gegevens:
“betrokkene negeerde voor de kruiding Spui met de Amsterdamse Veerkade het verkeerslicht dat in zijn/haar richting al zeker 2 seconden rood licht uitstraalde. (…)
Reden geen staandehouding: ivm omstandigheden de betrokkene geen kennisgeving kunnen uitreiken.”
7. In het dossier bevindt zich voorts een proces-verbaal van bevindingen van 21 februari 2018, waarin de ambtenaar op ambtseed verklaart:
“Ik heb de betrokkene c.q. bestuurder van dit voertuig niet staande gehouden voor deze gedraging omdat ik op dat moment op weg was naar een melding met een hogere prioriteit waarbij politie inzet direct noodzakelijk was.”
8. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt zodat aan hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
9. Het hof volgt de gemachtigde niet in zijn standpunt dat uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat artikel 5 van Pro de Wahv alleen bedoeld is voor situaties waarbij de gedraging met behulp van technische middelen is geconstateerd of in geval van parkeerovertredingen. De voorbeelden in de totstandkomingsgeschiedenis waarop de gemachtigde dit standpunt baseert, behelzen geen limitatieve opsomming. Dit betekent dat ook in andere situaties dan de situaties in de genoemde voorbeelden een sanctie aan de kentekenhouder kan worden opgelegd zonder dat voorafgaande staandehouding heeft plaatsgevonden. Daarbij is het uitgangspunt, zoals hiervoor is overwogen, dat slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, de sanctie aan de kentekenhouder mag worden opgelegd.
10. Het hof gaat er in dit geval van uit dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding heeft voorgedaan. Uit de verklaring van de ambtenaar in het proces-verbaal van bevindingen volgt dat hij onderweg was naar een melding met hogere prioriteit waarbij politie inzet direct noodzakelijk was.
Op grond daarvan acht het hof aannemelijk dat er voor de ambtenaar op dat moment geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder bestond, zodat de ambtenaar terecht met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder heeft opgelegd. Het verweer van de gemachtigde treft geen doel.
11. De gemachtigde voert voorts aan dat de inleidende beschikking niet in stand kan blijven omdat uit de inleidende beschikking niet is gebleken dat de betrokkene is gewezen op artikel 8 van Pro de Wahv zoals in artikel 5 van Pro de Wahv is bepaald.
12. In artikel 5 van Pro de Wahv is bepaald dat de betrokkene bij het opleggen van de sanctie wordt gewezen op het bepaalde in artikel 8 van Pro de Wahv. In artikel 8 van Pro de Wahv is bepaald dat de officier van justitie, indien de sanctie met toepassing van artikel 5 van Pro de Wahv aan de kentekenhouder is opgelegd, de inleidende beschikking in een aantal, onder a, b en c genoemde, situaties vernietigt.
13. Het dossier bevat een kopie van de inleidende beschikking. Hieruit blijkt dat de betrokkene in de inleidende beschikking niet is gewezen op het bepaalde in artikel 8 van Pro de Wahv. Ook anderszins blijkt uit het dossier niet dat de betrokkene hierop is gewezen. Dit is in strijd met artikel 5 van Pro de Wahv. Nu echter niet gesteld is dat één van de in artikel 8 genoemde Pro situaties van toepassing is, is de betrokkene hierdoor niet in een rechtens te respecteren belang geschaad. Het hof zal daarom geen gevolgen verbinden aan het ontbreken van de verwijzing naar artikel 8 van Pro de Wahv.
14. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen.
15. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.