Belanghebbende was eigenaar van een object bestaande uit een voorhuis en een achterhuis, waarbij het achterhuis een voormalige loods betrof die in 1998 was verbouwd tot zelfstandige woning. De heffingsambtenaar had voor de WOZ-waardebepaling de twee delen als afzonderlijke onroerende zaken afgebakend en gewaardeerd. Belanghebbende stelde dat het object als één geheel moest worden gewaardeerd en dat de eigen verkoopprijs moest worden aangehouden.
Het Hof oordeelde dat het voorhuis en het achterhuis elk een afsluitbare zelfstandige wooneenheid vormen met eigen voorzieningen, waardoor zij als afzonderlijke onroerende zaken moeten worden aangemerkt volgens de Wet WOZ. De stelling dat sprake is van een samenstel werd verworpen omdat het voorhuis werd verhuurd aan derden die geen gezamenlijke voorzieningen deelden.
De heffingsambtenaar kon de waardering van beide delen onvoldoende aannemelijk maken aan de hand van referentieobjecten, die qua ligging, type en perceel sterk verschilden. Belanghebbende kon zijn eigen hogere waarderingen evenmin onderbouwen. Het Hof stelde daarom de waarden in goede justitie vast op €370.000 voor het voorhuis en €670.000 voor het achterhuis per 1 januari 2018 en vermindert de aanslagen dienovereenkomstig.
Het hoger beroep werd gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de heffingsambtenaar werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.