ECLI:NL:GHARL:2021:2734
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep: bewijsvermoeden geldlening ontzenuwd, gevorderde afwijzing
In hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het tussentijdse arrest van 12 mei 2020 overgenomen waarin appellant was toegelaten tot tegenbewijs tegen het vermoeden dat hij op 9 april 2015 €10.000 van geïntimeerde had geleend. Beide partijen hebben als getuigen verklaard, waarbij hun verklaringen parallel liepen over persoonlijke omstandigheden, maar fundamenteel verschilden over de aard en voorwaarden van de geldverstrekking.
Geïntimeerde stelde dat het om een investering of geldlening ging met een maandrente van 2,5%, terwijl appellant ontkende de akte te hebben ondertekend en het bestaan van de lening betwistte. De verklaringen over het doel van het geld en de terugbetaling liepen uiteen, en er ontbrak ondersteunend bewijs zoals documenten of bevestigingen van de transactie.
Het hof concludeerde dat het bewijsvermoeden van de geldlening door appellant was ontzenuwd en dat geïntimeerde zijn bewijs niet met andere bewijsmiddelen had versterkt. Ook wanneer geïntimeerde als partijgetuige werd beschouwd, kon zijn verklaring niet als bewijs gelden zonder aanvullende bewijsstukken.
Daarom vernietigde het hof het vonnis van de kantonrechter en wees de vordering van geïntimeerde af. Tevens werd geïntimeerde veroordeeld in de proceskosten van beide instanties, waaronder de kosten van de deskundige. Het arrest is uitgesproken op 23 maart 2021 door de rolraadsheren Steeg, de Kerpel-van de Poel en Engberts.
Uitkomst: De vordering tot terugbetaling van €10.000 wordt afgewezen wegens ontzenuwing van het bewijsvermoeden en gebrek aan aanvullend bewijs.