ECLI:NL:GHARL:2021:2975

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
30 maart 2021
Publicatiedatum
30 maart 2021
Zaaknummer
Wahv 200.249.785/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 9 WahvArt. 62 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in zaak inhaalverbod en matiging administratieve sanctie

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het negeren van een permanent inhaalverbod op 5 januari 2018 op de Willeskop (N228) te Oudewater. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

In hoger beroep stelde de gemachtigde dat de officier van justitie onjuist had geoordeeld dat de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) geen ruimte biedt voor matiging van sancties op grond van financiële omstandigheden. Het hof oordeelde dat de motivering van de officier van justitie ondeugdelijk was en dat de betrokkene hierdoor benadeeld was. Daarom vernietigde het hof de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie.

Daarnaast voerde de gemachtigde aan dat sprake was van een uitzondering op het inhaalverbod omdat de betrokkene een tractor had ingehaald, wat volgens hem was toegestaan. Het hof oordeelde echter dat deze stelling te laat en onvoldoende was onderbouwd en dat het bewijs van de overtreding voldoende was. Het beroep tegen het inhaalverbod werd daarom ongegrond verklaard.

Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld. Het arrest werd gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken in een openbare zitting.

Uitkomst: De beslissing van de officier van justitie en kantonrechter wordt vernietigd wegens onjuiste motivering, maar het beroep tegen het inhaalverbod wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.249.785/01
CJIB-nummer
: 213550536
Uitspraak d.d.
: 30 maart 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 4 oktober 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de beslissing van de officier van justitie berust op een ondeugdelijke motivering. De officier van justitie heeft namelijk overwogen dat de Wahv er niet in voorziet om rekening te houden met de financiële omstandigheden van de betrokkene, terwijl de officier van justitie wel degelijk de bevoegdheid heeft om bedragen van sancties te matigen op grond van de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, waaronder de financiële omstandigheden. Dit gebrek kan niet met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd. De kantonrechter heeft dit niet onderkend.
2. De beslissing van de officier van justitie is - voor zover relevant - als volgt gemotiveerd:
“U verzoekt om rekening te houden met uw financiële omstandigheden. De Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) voorziet er niet in om hiermee rekening te houden. Uw verzoek wordt afgewezen.”
3. De kantonrechter heeft - kort gezegd - overwogen dat de officier van justitie is uitgegaan van de onjuiste rechtsopvatting dat de Wahv niet zou voorzien in de mogelijkheid om het bedrag van de sanctie te matigen. De kantonrechter heeft evenwel overwogen dat de motivering van de officier van justitie met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb kan worden gepasseerd.
4. Het hof is van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk is gemotiveerd, nu deze blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv kan de officier van justitie gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert namelijk wel degelijk een lager bedrag van de administratieve sanctie vaststellen.
5. Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene door het motiveringsgebrek niet is benadeeld. De officier van justitie beschikt namelijk over een eigenstandige bevoegdheid om het bedrag van een sanctie lager vast te stellen wanneer de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert dat rechtvaardigen. In administratief beroep is door de gemachtigde verzocht om het bedrag van de sanctie te matigen vanwege de financiële omstandigheden van de betrokkene. De officier van justitie heeft de financiële omstandigheden van de betrokkene echter uitdrukkelijk niet bij de beoordeling betrokken. Naar het oordeel van het hof is de betrokkene benadeeld door de gebrekkige motivering. Dat de betrokkene zekerheid heeft gesteld, zoals de kantonrechter heeft overwogen, doet daaraan niet af. De kantonrechter heeft aldus ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 6:22 van Pro de Awb alsook de beslissing van de officier van justitie in stand gelaten (vgl. het arrest van het hof van 6 januari 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:45). Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie vernietigen. Hetgeen verder is aangevoerd tegen de beslissingen van de kantonrechter en de officier van justitie behoeft derhalve geen bespreking.
6. Het hof zal, gelet op het voorgaande, overgaan tot de beoordeling van het beroep tegen de inleidende beschikking. Aan de betrokkene is bij die beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “negeren inhaalverbod: bord F1/40”. Deze gedraging zou zijn verricht op 5 januari 2018 om 15.19 uur op de Willeskop (N228) in Oudewater met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
7. De gemachtigde voert in hoger beroep aan dat de gedraging wordt betwist. In dit verband stelt hij zich op het standpunt dat de verklaring in het zaakoverzicht niet als een ambtsedige verklaring heeft te gelden en dat het openbaar ministerie niet, althans onvoldoende aan zijn bewijslast heeft voldaan. Volgens de gemachtigde is weliswaar sprake van bord F1/40 (inhaalverbod), maar heeft de ambtenaar verzuimd te vermelden dat er uitzonderingen zijn, namelijk het inhalen van brommobielen en agrarische voertuigen. De gemachtigde verwijst naar de door hem overgelegde afbeelding van Google Maps betreffende de Willeskop in Oudewater met als opnamedatum september 2017. Op deze afbeelding is aan weerszijden van de weg het bord F1 met daaronder een bord met daarop “inhalen toegestaan” en een trekker te zien. De betrokkene heeft wel ingehaald, maar er was sprake van voertuigen die vallen onder de uitzondering. Aan de betrokkene is derhalve ten onrechte een sanctie opgelegd.
8. Het verweer ten aanzien van de ambtsedige verklaring van de ambtenaar is al in vele zaken aan het hof voorgelegd en inmiddels ook al vele malen verworpen.
9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Het betrof een permanent ingesteld inhaalverbod. Aantal ingehaalde voertuigen: 2.
Overtreden artikel: 62 jo. bord F1 RVV 1990 (…)
Aan betrokkene is de cautie verleend. (…)
Verklaring betrokkene
Mijn voorganger reed te traag”.
10. Een beroep op een uitzondering op de hoofdregel kan slechts slagen wanneer aannemelijk wordt gemaakt dat die uitzondering zich heeft voorgedaan. In het zaakoverzicht is als verklaring van de betrokkene vermeld dat hij heeft verklaard dat zijn voorganger te traag reed. De gemachtigde voert voor het eerst in hoger beroep aan dat er sprake was van voertuigen die onder de uitzondering van het inhaalverbod vallen. De gemachtigde heeft met het voor het eerst aanvoeren in hoger beroep van deze stelling en overleggen van voormelde afbeelding niet aannemelijk gemaakt dat van de uitzondering op het verbod om in te halen sprake was. Het hof is van oordeel dat gelet op de inhoud van het zaakoverzicht kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht en dat voor die gedraging terecht een sanctie is opgelegd.
11. Gelet op het voorgaande zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking gegrond verklaren.
12. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Koldenhof-ten Kate als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.