ECLI:NL:GHARL:2021:3127

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2021
Publicatiedatum
31 maart 2021
Zaaknummer
: Wahv 200.276.820/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, tweede lid WahvArt. 10, eerste lid RVV 1990Art. 65, derde lid RVV 1990Art. 11 WahvArt. 2, eerste lid, onder d Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen administratieve sanctie parkeren op betegeld weggedeelte naast rijbaan

De betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd voor het parkeren in een parkeerverbodszone op 1 november 2018 te Eindhoven. De kantonrechter wijzigde de feitcode naar het stilstaand zijn op een trottoir of voetpad, maar verklaarde het beroep deels gegrond.

In hoger beroep betwist de betrokkene dat de plek een toegangspad van de school was en stelt dat het betegelde weggedeelte naast de rijbaan als parkeervak moet worden gezien. Het hof oordeelt dat het betegelde gedeelte, ongeveer ter grootte van een auto en haaks op de rijbaan, zich voor de gemiddelde weggebruiker als parkeervak voordoet en niet als voetpad of toegangspad.

Daarom kan de overtreding niet worden vastgesteld en wordt de sanctie vernietigd. Tevens worden proceskosten en reiskosten van de betrokkene toegewezen. De advocaat-generaal wordt veroordeeld tot vergoeding van deze kosten.

Uitkomst: De administratieve sanctie voor parkeren op het betegelde weggedeelte naast de rijbaan wordt vernietigd en het beroep van de betrokkene wordt gegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.276.820/01
CJIB-nummer
: 221265131
Uitspraak d.d.
: 31 maart 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Oost-Brabant van 13 januari 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. R.L.I. Jansen, advocaat te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard en de feitcode en omschrijving van de gedraging gewijzigd.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding en een vergoeding van de reiskosten van de betrokkene.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft van de gelegenheid daarop te reageren geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 17 maart 2021. De gemachtigde van de betrokkene en de betrokkene zijn verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “parkeren in strijd met parkeerverbod/parkeerverbodszone (bord E1)(feitcode R584)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 1 november 2018 om 14.49 uur op de Oude Bossche Baan in Eindhoven met het voertuig met het kenteken [0-YYY-00] .
2. De kantonrechter heeft de feitcode en omschrijving van de gedraging gewijzigd in R315B: “als bestuurder van een motorvoertuig niet de rijbaan gebruiken door stil te staan op het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad”.
3. Namens de betrokkene wordt de gedraging betwist. Uit de stukken blijkt niet dat de plek waar het voertuig stond geparkeerd een toegangspad van de school was. Naast de boom loopt immers een pad dat rechtstreeks naar de school loopt. Waarom is hier geen sprake van een verharding naast de rijbaan, bestemd voor stilstaande of geparkeerde voertuigen? De wet stelt niet de eis dat een parkeervak omlijnd dient te zijn. Zou het om een toegangspad gaan, dan betreft dit een privaat pad en is hier geen sprake van een weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994. Ook is niet met een kruis aangegeven dat op deze plek niet geparkeerd mag worden.
4. De onderhavige gedraging, na wijziging van de feitcode door de kantonrechter, betreft een overtreding van artikel 10, eerste lid, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), dat onder meer bepaalt dat bestuurders van motorvoertuigen de rijbaan gebruiken. Zij mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad.
5. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
6. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer – kort samengevat – de verklaring dat het voertuig op genoemde locatie geparkeerd stond en geen ontheffing is gezien. De ambtenaar heeft 10 minuten geen activiteiten waargenomen.
7. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal waarin de ambtenaar onder meer verklaart:
“Ik, verbalisant, zag dat een voertuig met kenteken [0-YYY-00] een paarse Nissan, dat aldaar geparkeerd stond buiten de vakken, op het toegangspad van de aldaar gevestigde school ‘het Stedelijk college Eindhoven’. Dit is tevens te zien op de foto’s bij het brondocument. De locatie waar het voertuig geparkeerd stond is ook geen omlijnd vak.”
8. Bij het aanvullend proces-verbaal zijn foto’s van de gedraging gevoegd. Hierop is voornoemd voertuig te zien op een betegeld weggedeelte naast de geasfalteerde rijbaan. Dit weggedeelte biedt meer dan voldoende ruimte om een auto te plaatsen, wanneer die haaks op de rijbaan staat. De betrokkene heeft eerder in de procedure foto’s van de situatie ter plaatse en uitdraaien van Google Maps Streetview overgelegd. Hierop is de school te zien. De Oude Bosschebaan loopt langs de school. Langs de weg staan op regelmatige afstand van elkaar bomen. De school is vanaf de weg te bereiken middels een betegeld pad. De tegels liggen ter breedte van de toegang naar de school tot aan de rijbaan. Naast deze strook staat een boom, waarnaast ook een weggedeelte met tegels ligt, die achter de boom langs aansluit op de toegang naar de school. De betegeling ligt als het ware in een u-vorm vanaf de rijbaan om de boom heen.
9. Het hof ziet zich gelet op het gevoerde verweer voor de vraag gesteld hoe de plaats waar het voertuig stond is te kwalificeren. Van belang is met name hoe het betreffende weggedeelte zich voor de gemiddelde weggebruiker voordoet.
10. Het hof is van oordeel dat het weggedeelte waar het voertuig van de betrokkene stond naar de uiterlijke verschijningsvorm is te kwalificeren als een weggedeelte dat is bestemd voor parkeren als bedoeld in artikel 65, derde lid, van het RVV 1990. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het hier om een betegeld weggedeelte naast de geasfalteerde rijbaan gaat, ongeveer ter grootte van een auto, waardoor het zich voor de gemiddelde weggebruiker kan aandienen als een parkeervak. In tegenstelling tot het gedeelte aan de andere kant van de boom dat is bedoeld als toegang tot de school vanaf de rijbaan, heeft het betreffende betegelde weggedeelte voor de gemiddelde weggebruiker niet die bestemming. Gelet hierop kan zowel de gedraging met feitcode R584 als met feitcode R315B niet worden vastgesteld.
11. Het voorgaande leidt tot onderstaande beslissing.
12. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter, een hoger beroepschrift, een nadere toelichting daarop en het verschijnen ter zitting bij de kantonrechter en in hoger beroep dienen in totaal 4,5 procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 1.201,50.
13. Het hof acht ook termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep
.Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 29,57 (Eindhoven - Leeuwarden v.v.).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 1.231,07.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.