ECLI:NL:GHARL:2021:3129

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 maart 2021
Publicatiedatum
31 maart 2021
Zaaknummer
Wahv 200.277.278/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WahvArt. 5 WahvArt. 61a RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete voor vasthouden mobiele telefoon tijdens rijden ondanks hulpverlening na ongeval

De betrokkene kreeg een boete van €230 opgelegd voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden op 2 november 2018 op de Rijksweg A58 te Etten-Leur. De betrokkene voerde aan dat de telefoon niet werd vastgehouden maar in een houder zat en dat de ambtenaar zich vergist had. Ook werd aangevoerd dat er geen ambtsedig proces-verbaal was en dat ten onrechte geen staandehouding had plaatsgevonden.

Het hof oordeelde dat de ambtenaar de gedraging goed kon waarnemen omdat het voertuig langzaam reed en de ambtenaar dicht bij het voertuig stond. Hoewel de ambtenaar feitelijk mogelijk wel kon staande houden, was er geen reële mogelijkheid vanwege de hulpverlening bij een ernstig ongeval. Het hof stelde dat in zulke omstandigheden van een ambtenaar niet kan worden verlangd dat hij de hulpverlening onderbreekt voor staandehoudingen.

De sanctie mocht daarom terecht aan de kentekenhouder worden opgelegd zonder staandehouding. De toestemming van de officier van justitie voor bekeuring op kenteken deed hieraan niet af. Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: De boete van €230 voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.277.278/01
CJIB-nummer
: 221352435
Uitspraak d.d.
: 31 maart 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant van 4 februari 2020, betreffende

[de betrokkene] B.V. (hierna: de betrokkene),

gevestigd te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding. Er is daarnaast gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt. Wel is een aanvullend proces-verbaal toegestuurd. Een afschrift daarvan is aan de gemachtigde van de betrokkene gestuurd, die in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren. De gemachtigde van de betrokkene heeft daarop gereageerd.
De zaak is behandeld op de zitting van 17 maart 2021. De gemachtigde van de betrokkene is, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. De advocaat-generaal is vertegenwoordigd door
mr. [B] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “als bestuurder tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 2 november 2018 om 17.01 uur op de Rijksweg A58 in Etten-Leur met het voertuig met het kenteken [Y-000-YY] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert – kort samengevat – aan dat de bestuurder van het voertuig stellig volhoudt dat de telefoon niet is vastgehouden en deze zich in de telefoonhouder bevond. De ambtenaar heeft zich vergist. Verder is er geen sprake van een ambtsedig proces-verbaal. De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld daarvan wel sprake is geweest. Dat eerder is aangevoerd dat volgens het feitenboekje merk en type van de telefoon moeten worden genoteerd, is niet enkel omdat dat een verplichting is, maar ook omdat deze eisen niet voor niets aan de ambtenaar worden gesteld om te voorkomen dat een betrokkene wordt beboet, terwijl er geen sprake is van een telefoon.
Verder stelt de gemachtigde dat ten onrechte geen staandehouding heeft plaatsgevonden. Er was een file bij een ongeval, dan is er juist reële mogelijkheid om staande te houden. Bovendien is het niet relevant dat de officier van justitie toestemming heeft gegeven voor het bekeuren op kenteken. Verder verwijst de gemachtigde naar een instructie van de politie bij de wijziging van art. 61a van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990), waaruit blijkt dat het noteren van kentekens zonder nadere informatie niet als voldoende bewijs van de gedraging kan gelden. De ambtenaar heeft niet specifiek omschreven wat er is waargenomen.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Een ambtsedige verklaring is niet vereist. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Verbalisant was bezig met afhandeling van een ernstig verkeersongeval op de autosnelweg.
Verbalisant zag dat betrokkene als bestuurder van een motorvoertuig langzaam over de vluchtstrook langs het ongeval gereden kwam en daarbij een mobiele telefoon in zijn hand had, waarmee hij het ongeval filmde dan wel foto’s maakte. (…)
Reden geen staandehouding: verbalisant was bezig met afhandeling van een verkeersongeval op de autosnelweg en er was geen gelegenheid om deze betrokkene (het hof leest: bestuurder) op een veilige manier achterna te rijden en staande te houden.”
5. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal, waarin de ambtenaar onder meer verklaart:
“Verbalisant was op 2 november 2018 bezig met de afhandeling van een ernstig verkeersongeval op de Rijksweg A58, ter hoogte van hm-paal 75.2 in de gemeente Etten-Leur. Bij dit ongeval waren meerdere voertuigen betrokken, o.a. een gekantelde vrachtauto, die op de zijkant lag. In beide richtingen kon het verkeer enkel over de vluchtstroken rijden.
Betrokkene, bestuurder van de Volkswagen Crafter, was één van de velen die tijdens het passeren van het ongeval duidelijk met een mobiele telefoon foto’s aan het nemen was, dan wel het ongeval en de hulpverlening filmde. Gelet op de vele bekeuringen die dag kan verbalisant niet exact meer zeggen in welke hand betrokkene zijn telefoon vast had, maar de telefoon was wel duidelijk zichtbaar. Verbalisant zag deze overtreding vanaf rijstrook 1, terwijl betrokkene over de vluchtstrook reed. De afstand tussen verbalisant en betrokkene zal hooguit 8 meter zijn geweest.
Gelet op de aard en locatie van het ongeval was het voor verbalisant niet mogelijk om de overtreders staande te houden en vast te stellen wat voor telefoon betrokkene vast hield.
Ingevolge de richtlijnen bij deze overtreding heeft verbalisant contact opgenomen met een officier van justitie om toestemming te krijgen om voor deze overtreding een aankondiging van beschikking op kenteken uit te schrijven. Door de officier van justitie, mevrouw mr. [C] werd telefonisch toestemming verleend om op kenteken te bekeuren.”
6. Hoewel de bestuurder stellig overtuigd is dat hij zijn mobiele telefoon ten tijde van de gedraging niet vasthield en eerder in de procedure daar uitgebreide verklaringen over in de beroepschriften zijn opgenomen, ziet het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de gegevens in het dossier. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de ambtenaar verklaart dat het voertuig langzaam reed en hij dicht bij het voertuig stond. Onder deze omstandigheden gaat het hof ervan uit dat hij de gedraging goed heeft kunnen waarnemen.
In de instructie van de politie waaruit door de gemachtigde is geciteerd, overigens zonder bronvermelding, wordt aandacht gevraagd voor situaties waarin bestuurders hard rijden, omdat het dan al snel onaannemelijk wordt dat duidelijk is waargenomen wat de bestuurder precies vasthield. Dat is hier niet aan de orde. Bovendien verklaart de ambtenaar duidelijk te hebben gezien dat het een mobiele telefoon betrof. Dat bijvoorbeeld de vorm van het apparaat of andere details niet zijn genoteerd, geeft in dit geval geen aanleiding tot twijfel. Het hof stelt dan ook vast dat de gedraging is verricht.
7. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd.
8. De gemachtigde voert aan dat sprake was van langzaam rijdend verkeer en dat het daarom voor de ambtenaar mogelijk was om met een aantal collega’s staandehoudingen te verrichten. Dat hiermee volgens de gemachtigde wellicht de feitelijke mogelijkheid bestond om de bestuurder staande te houden, betekent naar oordeel van het hof echter niet zonder meer dat dit ook een reële mogelijkheid betrof. Uit de verklaringen van de ambtenaar volgt duidelijk dat hij bezig was met de afhandeling van een ernstig ongeval. Nog los van de vraag of inderdaad feitelijk de mogelijkheid tot staandehouding bestond, kan van een ambtenaar in dergelijke omstandigheden niet gevergd worden dat hij de hulpverlening onderbreekt om staandehoudingen te verrichten. In dit geval was er dan ook geen reële mogelijkheid tot staandehouding en is de sanctie terecht aan de betrokkene als kentekenhouder opgelegd.
9. Vanwege het voorgaande faalt ook het verweer dat de toestemming van de officier van justitie voor het bekeuren de verplichting tot staandehouding niet opheft. Gelet op de omstandigheden mocht de sanctie immers aan de betrokkene als kentekenhouder worden opgelegd en was er geen verplichting tot staandehouding.
10. Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter bevestigen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.