Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Midden-Nederland van 7 januari 2019, betreffende
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De betrokkene werd een boete van €129 opgelegd wegens het rijden met 13 km/u te hard op een weg buiten de bebouwde kom, vastgesteld met een mobiel radarapparaat in een voertuig. De betrokkene stelde via zijn gemachtigde dat de meting onjuist was vanwege een verkeerde uitlijning van het meetapparaat en het ontbreken van wegwerkzaamheden en het bijbehorende verkeersbord.
Het hof oordeelde dat de gebruikte meetmethode correct was, mede op basis van een verklaring van een verkeersspecialist en het feit dat het meetapparaat in een voertuig was ingebouwd, waardoor de uitlijning minder kritisch is dan bij een statief. De aanwezigheid van verkeersborden was voldoende om de sanctie te rechtvaardigen, ongeacht of er daadwerkelijk werkzaamheden plaatsvonden.
Het hof concludeerde dat de overtreding voldoende was vastgesteld en dat de betwisting van de uitlijning en de wegwerkzaamheden onvoldoende was om twijfel te zaaien over de juistheid van de meting. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €129 voor snelheidsovertreding en wijst het hoger beroep af.