De betrokkene kreeg een sanctie van €400 opgelegd voor het niet afsluiten en in stand houden van een verzekering voor een motorrijtuig op 15 juni 2016. De gemachtigde voerde aan dat het sanctiebedrag gematigd moest worden vanwege administratieve omstandigheden, maar dit werd verworpen omdat de verzekeringsplicht strikt geldt voor kentekenhouders.
De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond, maar oordeelde niet over het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot vaststelling van de verschuldigdheid en hoogte van een dwangsom. Het hof vernietigde dit deel van de beslissing en oordeelde dat de officier van justitie de beslistermijn tijdig had verlengd, ondanks dat niet tijdig schriftelijk was meegedeeld dat de beslistermijn was opgeschort.
De opschorting van de beslistermijn was rechtsgeldig vanaf het moment dat de betrokkene in de gelegenheid werd gesteld een verzuim te herstellen, ook al ontbrak de mededeling zoals voorgeschreven in artikel 7:24, zevende lid, Awb. Het beroep tegen het dwangsombesluit werd ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.