De betrokkene werd gesanctioneerd voor het niet gebruiken van de rijbaan met een stilstaand voertuig op 28 juni 2018 te Amsterdam. Hij voerde in hoger beroep aan dat hij beschikte over een ontheffing op grond van artikel 10 RVVPro 1990, die hem vrijstelde van deze verplichting in het kader van werkzaamheden voor zijn werkgever.
De advocaat-generaal stelde dat de ontheffing alleen geldt indien het gebruik van de vrijstelling noodzakelijk is voor de uitvoering van werkzaamheden, en dat de betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan deze voorwaarde was voldaan. De betrokkene erkende de gedraging niet te ontkennen, maar gaf geen nadere onderbouwing van de noodzakelijkheid.
Het hof stelde vast dat de minister een algemene ontheffing had verleend aan de werkgever van de betrokkene, met de expliciete voorwaarde dat deze alleen geldt indien de werkzaamheden zonder vrijstelling redelijkerwijs niet kunnen worden uitgevoerd. Omdat de betrokkene geen bewijs leverde dat aan deze voorwaarde was voldaan, zag het hof geen reden om de sanctie te laten vervallen.
Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Uitkomst: De sanctie wegens het niet gebruiken van de rijbaan met een stilstaand voertuig wordt bevestigd omdat niet is aangetoond dat aan de ontheffingsvoorwaarden is voldaan.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.256.958/01
CJIB-nummer
: 218348614
Uitspraak d.d.
: 6 april 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2019, betreffende
[de betrokkene] N.V. (hierna: de betrokkene),
gevestigd te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. M. Lagas, kantoorhoudende te Amsterdam.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De bezwaren die de gemachtigde in hoger beroep aanvoert betreffen de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd voor: “met en stilstaand voertuig niet de rijbaan gebruiken.” Deze gedraging zou zijn verricht op 28 juni 2018 om 22:47 uur op het Zuivelplein in Amsterdam met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
2. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene in het bezit was van een ontheffing, waarin hij ontheven is van de verplichting van artikel 10 vanPro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990), in het kader van zijn werkzaamheden. De betrokkene heeft op de pleegdatum voor [B] werkzaamheden verricht en had die ontheffing zichtbaar achter de voorruit gelegd.
3. De advocaat-generaal voert aan dat de foto’s van de ontheffing niet duidelijk zijn, zodat niet te beoordelen is welke voorschriften aan de vrijstelling van de betrokkene verbonden zijn. Uit onderzoek is evenwel gebleken dat, kort gezegd, voor medewerkers die namens [B] bepaalde werkzaamheden verrichten een vrijstelling is verleend van 10 RVV 1990. De advocaat-generaal wijst daarbij op de beperking die daaraan is verbonden, namelijk dat dit alleen geldt voor zover dit voor de onmiddellijke uitvoering van genoemde werkzaamheden noodzakelijk is, dus indien de werkzaamheden zonder gebruikmaking van die beschikking redelijkerwijs niet kunnen worden uitgevoerd. De advocaat-generaal stelt dat de betrokkene niet heeft onderbouwd dat dat het geval is.
4. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, staat vast dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof, gelet op het door de gemachtigde gevoerde verweer, te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten. Voor die beoordeling is van belang of de gedraging onder het bereik van de ontheffing valt.
5. Het hof stelt op basis van de stukken in het dossier, waarbij zij opgemerkt dat de gemachtigde de stukken die de advocaat-generaal heeft overgelegd, niet heeft weersproken, het volgende vast.
6. De Minister van Infrastructuur en Milieu heeft op 18 september 2017 een beschikking op grond van artikel 147 vanPro de Wegenverkeerswet 1994 gegeven, die inhoudt dat aan [C] NV en haar dochterondernemingen [D] BV en [B] NV, ten behoeve van het personeel voor uitvoerende en controlerende werkzaamheden op het gebied van openbare nutsvoorzieningen, alsmede ten behoeve van de aannemers van deze werkzaamheden en hun personeel binnen heel Nederland, voor alle wegen tot en met 31 december 2021, vrijstelling is verleend van onder meer het bepaalde in artikel 10 RVVPro 1990.
7. In paragraaf V van deze beschikking staat vermeld: “Aan deze vrijstelling is de volgende beperking verbonden: Van deze beschikking mag alleen gebruik gemaakt worden voor zover dit voor de onmiddellijkeuitvoering van de genoemde werkzaamheden noodzakelijkis, derhalve indien de werkzaamheden zonder gebruikmaking van de beschikking redelijkerwijs niet kunnen worden uitgevoerd. (…).” Deze voorwaarde staat ook onder “belangenafweging en motivering” vermeld.
8. Ter beoordeling ligt nu de vraag of deze voorwaarde in acht is genomen.
9. De gemachtigde heeft in het hoger beroepschrift aangevoerd dat de betrokkene ter plaatse aanwezig was in verband met werkzaamheden voor [B] . In de nadere toelichting op het beroep deelt hij mede, in reactie op het verweerschrift van de advocaat-generaal, dat hij de betrokkene heeft gevraagd om een nadere verklaring over de werkzaamheden en hetgeen die dag geladen en gelost is, maar dat hij tot dat moment nog geen reactie had ontvangen en dat hij, als dat alsnog gebeurt, die reactie zal aan het hof zal doen toekomen. Het hof heeft nadien niets meer van de gemachtigde vernomen. Gelet daarop is niet aannemelijk gemaakt dat aan voormelde voorwaarde is voldaan.
10. Het hof ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding de opgelegde sanctie achterwege te laten.
11. De bezwaren treffen geen doel. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.
12. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter.
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.