ECLI:NL:GHARL:2021:3250

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
6 april 2021
Publicatiedatum
6 april 2021
Zaaknummer
Wahv 200.258.354/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 WahvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens te hoge zekerheidstelling in Wahv-procedure

De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter die het beroep niet-ontvankelijk verklaarde omdat de betrokkene geen zekerheid had gesteld. De kantonrechter had een bedrag van €243,- aan zekerheid verlangd, terwijl het wettelijk maximum sinds 1 januari 2018 €234,- bedraagt.

De betrokkene voerde een draagkrachtverweer aan, stellende onvoldoende financiële middelen te hebben om zekerheid te stellen. De kantonrechter had de betrokkene meerdere malen de gelegenheid gegeven om zijn financiële situatie te onderbouwen en een termijn gegund om alsnog zekerheid te stellen, maar achtte het draagkrachtverweer ongegrond.

Het hof oordeelt dat de kantonrechter terecht het beroep niet-ontvankelijk verklaarde wegens het niet stellen van zekerheid, maar dat het gevraagde bedrag te hoog was. Daarom vernietigt het hof de beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor nieuwe behandeling met inachtneming van het arrest.

Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk is gesteld. Het arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken in een openbare zitting te Leeuwarden.

Uitkomst: Het hof vernietigt de beslissing van de kantonrechter wegens een te hoge zekerheidstelling en wijst de zaak terug naar de rechtbank.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.258.354/01
CJIB-nummer
: 210257505
Uitspraak d.d.
: 6 april 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 21 februari 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld.
2. Namens de betrokkene is niet bestreden dat niet binnen de gestelde termijn zekerheid is gesteld. De gemachtigde voert aan dat een draagkrachtverweer is gevoerd en dat de kantonrechter niet heeft gehandeld volgens de daarvoor geldende regels. De kantonrechter heeft een te hoog bedrag aan zekerheidstelling verlangd van de betrokkene, namelijk € 243,- in plaats van € 234,-. Voorts voert de gemachtigde - onder verwijzing naar het arrest van het hof van 30 november 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:10471 - aan dat de zekerheidsbrieven niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen. De kantonrechter had mitsdien het beroep niet niet-ontvankelijk kunnen verklaren.
3. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een zekerheidstelling ingevolge de Wahv in het algemeen niet in de weg zal staan aan de toegang tot de rechter. Op het voorgaande dient een uitzondering te worden gemaakt, indien de hoogte van het gevraagde bedrag aan zekerheid gelet op de financiële omstandigheden van de betrokkene een zodanige belemmering oplevert, dat toepassing van het stelsel van zekerheidstelling in het onderhavige geval zou neerkomen op een ontoelaatbare beperking van het in artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden gegarandeerde recht op toegang tot een onafhankelijke rechterlijke instantie.
4. Uitgangspunt is dat, indien een betrokkene in de procedure bij de kantonrechter met redenen omkleed aanvoert dat hij niet (terstond) in staat is zekerheid te stellen tot het totale van hem verlangde bedrag, de kantonrechter, tenzij hij het daaromtrent aangevoerde reeds aanstonds aannemelijk acht, de betrokkene in de gelegenheid zal moeten stellen op een openbare zitting te worden gehoord omtrent zijn financiële draagkracht.
5. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht gegrond, dan zal hij het bepaalde in artikel 11, vierde lid, Wahv in zoverre buiten toepassing moeten laten als in overeenstemming is met de draagkracht van de betrokkene. Zo nodig zal aan de betrokkene een nadere termijn moeten worden gegund waarbinnen hij alsnog de door de kantonrechter vastgestelde zekerheid kan stellen. Acht de kantonrechter het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht ongegrond, dan dient de kantonrechter de betrokkene een nadere termijn te gunnen om alsnog het volledige bedrag van de zekerheidstelling te voldoen.
6. In het beroepschrift bij de kantonrechter heeft de gemachtigde aangevoerd dat de betrokkene (thans) onvoldoende financiële middelen heeft om zekerheid te kunnen stellen. Bij brief van
6 augustus 2018 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde verzocht om de (nadere) gronden van beroep in te dienen en de financiële positie van zijn cliënt inzichtelijk te maken. Bij brief van
23 augustus 2018 heeft de gemachtigde gronden van het beroep ingediend. Bij brief van
29 augustus 2018 heeft de griffier van de rechtbank de gemachtigde opgeroepen voor een zitting van de kantonrechter op 11 oktober 2018. In die brief is de gemachtigde er op gewezen dat de rechtbank nog geen onderbouwing van het draagkrachtverweer heeft ontvangen.
7. Uit het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van 11 oktober 2018 blijkt dat de kantonrechter heeft geoordeeld dat geen inzicht is verschaft in de financiële situatie van de betrokkene, dat het aangevoerde omtrent de financiële draagkracht daarom ongegrond wordt verklaard, dat de betrokkene de gelegenheid krijgt om binnen zes weken na verzending van het proces-verbaal het volledige bedrag aan zekerheid (€243,-) te betalen en dat partijen zullen worden opgeroepen voor een volgende zitting. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk verklaard, omdat de betrokkene geen zekerheid heeft gesteld.
8. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter gehandeld in overeenstemming met hetgeen onder 4. en 5. is overwogen. De betrokkene is in de gelegenheid gesteld het draagkrachtverweer nader te onderbouwen, maar heeft dit niet gedaan. De kantonrechter heeft het draagkrachtverweer ongegrond geacht en de betrokkene een nadere termijn gegund om alsnog volledige zekerheid te stellen. Niet kan worden geoordeeld dat de kantonrechter, gelet op de hem ter beschikking staande informatie, niet tot die beslissing heeft kunnen komen.
9. Het hof stelt echter met de gemachtigde vast dat de kantonrechter een te hoog bedrag aan zekerheidstelling van de betrokkene heeft verlangd. Sinds 1 januari 2018 verplicht artikel 11 van Pro de Wahv de betrokkene om in de procedure bij de kantonrechter bij sancties van € 225,- of meer zekerheid te stellen voor de betaling van € 225,- en de administratiekosten. Nu in het onderhavige geval sprake is van een sanctie van meer dan € 225,-, had de kantonrechter moeten bepalen dat de betrokkene een bedrag van € 234,- (€ 225,- en €9,- administratiekosten) aan zekerheid diende te stellen.
10. Gelet op het voorgaande kan de bestreden beslissing niet in stand blijven. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen en de zaak terugwijzen naar de rechtbank.
11. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 1 april 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:1786)). Dit neemt niet weg dat de kantonrechter, als hij de inleidende beschikking vernietigt dan wel deze wijzigt voor wat betreft het sanctiebedrag, de feitcode of de omschrijving van de gedraging en besluit tot toekenning van een proceskostenvergoeding, de in hoger beroep gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking kan brengen. Dat betreft als kosten van rechtsbijstand de indiening van een hoger beroepschrift (1 procespunt). Het gewicht van de zaak in hoger beroep is licht (wegingsfactor 0,5).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar de rechtbank ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Landstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.