Uitspraak
[appellante],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Appellante is eigenaar van de boot ‘C’ die zij in 2014 in de jachthaven van geïntimeerde had liggen. Na opzegging van de ligplaatsovereenkomst in 2016 weigerde geïntimeerde de boot vrij te geven vanwege een openstaande vordering en beriep zich op een retentierecht. De boot werd uiteindelijk elders aangemeerd, waarna derden schade veroorzaakten. Appellante vorderde in kort geding een voorschot op schadevergoeding wegens onterecht ingeroepen retentierecht, maar de kantonrechter wees dit af wegens ontbreken van spoedeisend belang.
In hoger beroep handhaafde het hof deze beslissing. Appellante kon het spoedeisend belang niet voldoende onderbouwen, mede omdat de boot inmiddels verdwenen of gestolen was. Ook was onzeker of de bodemrechter de vordering zou toewijzen, aangezien de openstaande factuur niet was betwist en bewijs van betaling ontbrak. Het hof oordeelde dat de zorgplicht van geïntimeerde als retentor niet strekte tot onderhoud van de boot en dat de schade door derden niet zonder meer voor zijn rekening kwam.
Verder wees het hof een integrale proceskostenveroordeling af wegens het recht op toegang tot de rechter en beperkte de kostenveroordeling tot het liquidatietarief. Het arrest bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, veroordeelde appellante tot betaling van een kleine vergoeding voor reis- en verletkosten en tot betaling van de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek om een voorschot op schadevergoeding af wegens ontbreken van spoedeisend belang en veroordeelt appellante in de proceskosten.