ECLI:NL:GHARL:2021:332

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 januari 2021
Publicatiedatum
14 januari 2021
Zaaknummer
200.238.137 WAHV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Beswerda
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 RVV 1990Art. 6.4 BBO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep tegen boete parkeren laden en lossen

In hoger beroep is de beslissing van de kantonrechter aan de orde die het beroep van de betrokkene tegen een boete wegens parkeren op een gelegenheid voor onmiddellijk laden en lossen van goederen ongegrond heeft verklaard.

De betrokkene werd op 27 mei 2016 beboet voor het parkeren met een voertuig op de Koningsstraat te Beverwijk, in strijd met artikel 24, eerste lid, sub f, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990. De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) niet bevoegd was de sanctie op te leggen omdat het niet ging om handhaving in relatie tot de openbare orde en dat niet was voldaan aan de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar.

Het hof oordeelt dat de boa bevoegd was binnen het domein Openbare Ruimte op te treden en dat de sanctie terecht is opgelegd. Verder is de stelling dat een foto als bewijs onvoldoende is, onjuist omdat ook een niet-ambtsedige verklaring als bewijs kan dienen zonder dat een foto als tweede bewijsmiddel vereist is. Het hof bevestigt daarom de beslissing van de kantonrechter en wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.238.137/01
CJIB-nummer
: 198886145
Uitspraak d.d.
: 14 januari 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Noord-Holland van 21 februari 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 9 oktober 2020 wordt hier als ingelast beschouwd.

Het verdere verloop van de procedure

De griffier van de rechtbank heeft het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter van
21 februari 2018 toegezonden aan de griffer van het hof. Een afschrift van het proces-verbaal is aan partijen verstrekt.

De beoordeling

1. Het proces-verbaal van de zitting van de kantonrechter is aan het dossier toegevoegd. Het verweer van de gemachtigde van de betrokkene slaagt op dit punt dan ook niet.
2. De overige bezwaren van de gemachtigde richten zich tegen de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard.
3. Bij die inleidende beschikking is aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “parkeren op gelegenheid voor onmiddellijk laden en lossen van goederen”. Deze gedraging zou zijn verricht op 27 mei 2016 om 12:29 uur op de Koningsstraat in Beverwijk met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] . Deze gedraging betreft een overtreding van artikel 24, eerste lid, sub f, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990).
4. De gemachtigde voert aan dat kantonrechter heeft miskend dat de betreffende ambtenaar niet bevoegd was om de sanctie op te leggen. Het handhaven op de verweten gedraging door een buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) is slechts toegestaan in relatie tot de openbare orde. Niet gebleken is dat de sanctie is gerelateerd aan de openbare orde en bovendien is niet voldaan aan de in Bijlage L van die Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar (BBO) gestelde voorwaarden.
5. Het hof volgt het betoog van de gemachtigde niet. Uit de stukken blijkt dat de sanctie is opgelegd door een boa, werkzaam in het domein Openbare Ruimte. Ten tijde van het opleggen van de sanctie golden de Beleidsregels buitengewoon opsporingsambtenaar (BBO). Het optreden van de ambtenaar valt binnen de in artikel 6.4 van de BBO toegekende bevoegdheden. Voor de handhaving van de negatie van de hier in geding zijnde bebording (E7) geldt niet de eis van relatie tot de openbare orde. Evenmin geldt daarvoor de door de gemachtigde genoemde eis uit Bijlage L.
6. De gemachtigde voert verder aan dat de gedraging niet kan worden vastgesteld op basis van de foto, zoals de kantonrechter overweegt. Een foto is slechts een momentopname. Op basis daarvan kan niet worden vastgesteld dat het betoog van de betrokkene, dat geen sprake was van parkeren in de zin van het RVV 1990 omdat slechts korte tijd werd stilgestaan om zware en omvangrijke goederen te laden, niet juist is.
7. Deze stelling berust op een onjuiste lezing van de beslissing van de kantonrechter. De kantonrechter heeft overwogen dat de vaststelling dat een gedraging is verricht ook kan worden gebaseerd op een niet-ambtsedige verklaring van een verbalisant, mits er dan ook een ander bewijsmiddel in het dossier zit, zoals in dit geval een foto. Het hof merkt op dat volgens de geldende jurisprudentie de gedraging ook op een niet-ambtsedige verklaring kan worden gebaseerd en dat de door kantonrechter gestelde eis van een foto als tweede bewijsmiddel geen geldend recht is.
8. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter een juiste beslissing genomen door het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond te verklaren. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter in zoverre met verbetering van gronden bevestigen en het verzoek om een proceskostenvergoeding afwijzen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt met verbetering van gronden de beslissing van de kantonrechter voor zover daarbij het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond is verklaard met;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.