In hoger beroep heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het vonnis van de politierechter vernietigd en opnieuw recht gedaan. Verdachte werd vrijgesproken van bedreiging met geweld wegens onvoldoende bewijs en veroordeeld voor winkeldiefstal van diverse goederen uit een winkel.
De bedreiging kon niet wettig en overtuigend worden bewezen omdat onduidelijk bleef of het mes dat verdachte zou hebben getoond daadwerkelijk het mes was dat door de politie aan de aangever was getoond. Ook waren de verklaringen over de bedreiging onvoldoende eenduidig.
Ten aanzien van de winkeldiefstal oordeelde het hof dat verdachte de goederen met het oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen. Het verweer dat verdachte door een epileptisch insult handelde werd verworpen omdat haar verklaringen niet overeenkwamen met de medische kenmerken van een dergelijk insult. De straf werd bepaald op een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week met een proeftijd van 2 jaar en een geldboete van €200.
Het hof constateerde een schending van de redelijke termijn in hoger beroep, maar zag geen aanleiding tot strafvermindering vanwege de geringe straf. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere voorwaardelijke straf werd afgewezen wegens onvoldoende stukken.
Het arrest werd op 7 april 2021 uitgesproken door mr. M.H.D.M. van Leent, mr. F. van der Maden en mr. P.T. Heblij.