Verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het rijden op 10 april 2019 met een ongeldig verklaard rijbewijs voor de categorieën AM en B. Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat verdachte wist of redelijkerwijs moest weten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, mede gelet op aangetekende brieven van het CBR waarin dit werd meegedeeld.
De waarneming van de verbalisant dat verdachte de auto bestuurde werd als betrouwbaar beoordeeld, ondanks betwisting door de verdediging. De sleutel van het voertuig werd bij verdachte aangetroffen kort na de waarneming. Verdachte had eerder meerdere veroordelingen wegens soortgelijke feiten, wat meewoog in de strafoplegging.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter om proceseconomische redenen en deed opnieuw recht. Het legde een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken op en gelastte de tenuitvoerlegging van twee voorwaardelijke straffen wegens eerdere veroordelingen, omdat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw schuldig had gemaakt aan een strafbaar feit.
De straf is passend geacht vanwege het negeren van het CBR-besluit, de ondermijning van het gezag en de schending van de verkeersveiligheid. Verdachte werd vrijgesproken van andere tenlastegelegde feiten die niet bewezen konden worden.