Verdachte werd in eerste aanleg door de politierechter veroordeeld tot een taakstraf van zestig uur, subsidiair dertig dagen hechtenis, wegens het aanwezig hebben van hennepplanten en hennepstekjes. Het hof vernietigde dit vonnis vanwege een andere bewijsbeslissing en deed opnieuw recht.
Op 14 maart 2017 werd vastgesteld dat verdachte samen met een ander in een pand 39 hennepplanten en 720 hennepstekjes aanwezig had. Het hof achtte dit wettig en overtuigend bewezen en kwalificeerde dit als medeplegen van een strafbaar feit onder de Opiumwet. Het hof verwierp het strafmaatverweer dat onderscheid wilde maken tussen de economische waarde van planten en stekken, omdat de wet dit onderscheid niet kent en de bescherming van de volksgezondheid centraal staat.
Het hof hield rekening met het blanco strafblad van verdachte, het tijdsverloop en haar huidige werk, en bevestigde de opgelegde taakstraf van zestig uur, subsidiair dertig dagen hechtenis, als passend. De straf is opgelegd conform de artikelen 22c, 22d en 47 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 3 en 11 van de Opiumwet.