ECLI:NL:GHARL:2021:3687

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 april 2021
Publicatiedatum
15 april 2021
Zaaknummer
Wahv 200.253.456/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 WahvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens appelverbod bij bestuursstrafrechtelijke sanctie onder €70

De betrokkene stelde hoger beroep in tegen een beslissing van de kantonrechter inzake een bestuursstrafrechtelijke sanctie onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter had het beroep ongegrond verklaard en een sanctie van €41 opgelegd.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat het appelverbod buiten toepassing moest worden gelaten wegens schending van fundamentele rechtsbeginselen, waaronder het verbod van vooringenomenheid en het recht op hoor en wederhoor, omdat de kantonrechter zich baseerde op niet aan de betrokkene overgelegde schouwrapporten.

Het hof oordeelde dat het appelverbod volgens artikel 14 Wahv Pro alleen buiten toepassing kan worden gelaten in specifieke situaties die hier niet aan de orde zijn. Klachten over de inhoudelijke of procedurele juistheid van de kantonrechterlijke beslissing kunnen het appelverbod niet doorbreken. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen omdat de betrokkene niet in het gelijk werd gesteld.

Het hoger beroep werd derhalve niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om vergoeding van kosten werd afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege het appelverbod bij een sanctie van €41 en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.253.456/01
CJIB-nummer
: 212172601
Uitspraak d.d.
: 15 april 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Midden-Nederland van 11 december 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is S.J.J.G. Fernandes, kantoorhoudende te Voorburg.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Artikel 14 van Pro de Wahv bepaalt dat in twee situaties hoger beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter:
- wanneer de sanctie bij de beslissing van de kantonrechter hoger is dan € 70,-
- wanneer de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat geen (of niet op tijd) zekerheid is gesteld.
Van geen van deze situaties is hier sprake. De opgelegde sanctie bedraagt € 41,- en de kantonrechter heeft het beroep ongegrond verklaard.
2. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat het buiten toepassing laten van het appelverbod gerechtvaardigd is, omdat sprake is van schending van de fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging. Hiertoe voert de gemachtigde aan dat de kantonrechter het verbod van vooringenomenheid heeft geschonden door een groot deel van de beroepsgronden buiten behandeling te laten, waardoor geen sprake meer is van een eerlijke en onpartijdige behandeling. Voorts stelt de gemachtigde dat de kantonrechter het recht van hoor en wederhoor heeft geschonden, nu de kantonrechter zijn beslissing heeft gebaseerd op twee schouwrapporten die ter zitting zijn overgelegd, terwijl deze rapporten niet aan de betrokkene zijn overgelegd. Dit klemt temeer nu de betrokkene in zijn faxbericht aan de kantonrechter verzocht de zaak aan te houden, in het geval de vertegenwoordiger van de CVOM ter zitting nieuwe standpunten zou innemen dan wel nieuwe stukken zou overleggen.
3. Artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) garandeert het recht op toegang tot de rechter. Wanneer blijkt dat dit recht is geschonden en de betrokkene daar een beroep op doet, kan het wettelijk appelverbod buiten toepassing worden gelaten (vgl. het arrest van het hof van 12 juli 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2018:6402). In dit geval is niet gebleken dat de betrokkene geen toegang tot de rechter heeft gehad. Uit bestendige jurisprudentie van het hof volgt dat klachten die er in de kern op neer komen dat de kantonrechter een onjuiste beslissing heeft genomen (inhoudelijk, dan welw procedureel), niet kunnen leiden tot het buiten toepassing laten van het appelverbod. Aldus faalt het verweer van de gemachtigde en wordt het hoger beroep
niet-ontvankelijk verklaard.
4. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 27 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
wijst het verzoek om vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Van der Meulen als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.