In deze zaak stond de verlenging van de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen centraal. De kinderrechter had de ondertoezichtstelling verlengd tot 20 november 2021, maar de vader ging hiertegen in hoger beroep. Hij stelde dat hij in staat was een stabiele en veilige opvoedsituatie te bieden en dat de ondertoezichtstelling negatieve effecten had gehad.
De gecertificeerde instelling (GI) stelde dat het contact tussen de moeder en de kinderen nog niet veilig verliep en dat toezicht nodig was om te voorkomen dat de vader opnieuw een relatie met de moeder zou aangaan. Ook waren er zorgen over de psychische toestand van de moeder. Het hof nam de gronden van de rechtbank over en erkende dat op het moment van de bestreden beschikking de wettelijke vereisten voor verlenging aanwezig waren.
Echter, op basis van de mondelinge behandeling en verklaringen van de vader en de jeugdbeschermer achtte het hof de omstandigheden inmiddels veranderd. De vader bleek in staat om een veilige en stabiele opvoedsituatie te bieden en het contact met de moeder onder begeleiding te regelen. De rechterlijke machtiging voortgezet verblijf van de moeder was niet verlengd, wat duidde op afgenomen risico's.
Het hof besloot daarom de verlenging van de ondertoezichtstelling te bekrachtigen tot de datum van de uitspraak en deze vanaf dat moment te vernietigen. Tevens wees het hof het verzoek van de GI tot verlenging af voor de periode vanaf de uitspraak.