Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
Het verloop van de procedure
De beoordeling1.De gemachtigde van de betrokkene stelt zich op het standpunt dat de ambtenaar van het Parket CVOM onbevoegd was om te beslissen op het administratief beroep. Artikel 6 van Pro de Wahv geeft aan dat de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket waar de gedraging is verricht bevoegd is hiertoe.
3. Verder voert de gemachtigde aan dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden door de betrokkene geen redelijke termijn te gunnen om zich deugdelijk op de hoorzitting te kunnen voorbereiden. Op de hoorzitting werden namelijk in totaal vijftien zaken van de gemachtigde behandeld. Daarnaast had het hoorverslag bij de beslissing op het administratief beroep moeten worden meegezonden. De kantonrechter heeft dit miskend.
De gemachtigde stelt dat de bewijswaarde van de verklaring van de ambtenaar niet anders is dan de verklaring van een burger. Aan de beeldregistraties die in het dossier zijn opgenomen, kan geen betekenis worden toegekend, nu uit die registraties blijkt dat de handhavingsapparatuur niet voldoet aan de vereisten van de Concept voorschriften meetmiddelen politie (CVMP). De aanduiding van de geactiveerde detectorgroep is niet vermeld op de beeldregistraties conform artikel 13.5.1 van de CVMP. Verder is het handhavingsmiddel niet conform de voorschriften onderworpen geweest aan een eerste onderzoek, maar slechts aan herkeuringen, zo blijkt uit de NMi-verklaringen op de website van het CJIB. Dit brengt mee dat het handhavingsmiddel niet had mogen worden ingezet en daarom dienen de beeldregistraties te worden uitgesloten van het bewijs. Bovendien blijkt uit de logging van de bedieningen van het handhavingsmiddel dat het na de ijking diverse malen buiten gebruik is gesteld, hetgeen twijfels oproept over storingen of onderhoud.
10. Het hof stelt voorop dat voor de vaststelling dat een gedraging is verricht een ambtsedige verklaring van een ambtenaar niet is vereist.
Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houden de gegevens in het zaakoverzicht kort samengevat in dat is gemeten dat met het voertuig met [00-YYY-0] een (gecorrigeerde) snelheid is gereden van 114 km per uur op de onder 8. genoemde datum, tijd en plaats. Dit is vastgesteld door middel van een voor de meting getest, goedgekeurd en op voorgeschreven wijze gebruikt snelheidsmeetmiddel bestaande uit een lusdetector in combinatie met een vaste flitspaal.
Uit de omstandigheid dat uit de door de gemachtigde genoemde logging van de betreffende trajectsnelheidsmeter blijkt dat deze in december 2016 en januari 2017 enkele malen buiten gebruik is gesteld, kan evenmin worden afgeleid dat het meetmiddel ten tijde van de gedraging niet geijkt was of niet goed heeft gefunctioneerd.
Het hof is van oordeel dat op grond van de foto’s van de gedraging, waarop het kenteken van het voertuig van de betrokkene duidelijk zichtbaar is, kan worden vastgesteld dat met het voertuig van de betrokkene op voormelde datum, tijd en plaats met een gemiddelde snelheid na correctie van 114 km per uur is gereden.