Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2021:3739

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 april 2021
Publicatiedatum
19 april 2021
Zaaknummer
200.259.053/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling ontbonden huwelijksgoederengemeenschap en nalatenschap onroerende zaken Indonesië

In deze zaak gaat het om de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tussen de vrouw en de man, alsmede de vraag of onroerende zaken in Indonesië tot de nalatenschap van de moeder van de man behoren.

Het hof heeft de man opgedragen om onderbouwde stukken te overleggen over het Indonesische erfrecht en eigendom van onroerende zaken op de Molukken. Uit notariële akten blijkt dat twee percelen vóór het overlijden van de moeder van de man zijn overgedragen aan zijn broer, zodat deze niet tot de nalatenschap behoren.

De vrouw stelde dat er drie percelen waren, maar het hof oordeelt dat slechts één perceel mogelijk tot de nalatenschap behoort, waarvan de waarde verwaarloosbaar is. Bovendien is gebleken dat de man en zijn familie geen rechten op de nalatenschap willen doen gelden ten gunste van zijn broer.

Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel voor wat betreft de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en wijst het meer of anders gevorderde af. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij partijen elk hun eigen kosten dragen.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank voor de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en wijst de verdere vorderingen van de vrouw af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.259.053/01
(zaaknummer rechtbank 169904)
beschikking van 13 april 2021
inzake
[verzoekster] ,
wonende op een geheim adres,
verzoekster in hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. S.A. Merhottein te Bloemendaal,
en
[verweerder],
wonende te [A] ,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. K.H.P. Selcraig te Zwolle.
Het hof heeft op 7 mei 2020 een tussenbeschikking gegeven en verwijst daarnaar.

1.Het verdere geding in hoger beroep

Na genoemde tussenbeschikking zijn bij het hof binnengekomen:
- een journaalbericht van mr. Selcraig van 30 oktober 2020 met productie(s);
- een journaalbericht van mr. Merhottein van 20 november 2020 met productie(s).

2.De verdere beoordeling van de zaak

2.1
Bij de beschikking van 7 mei 2020 – zoals verbeterd bij beschikking van 19 januari 2021 - heeft het hof de man de volgende opdrachten gegeven:
draagt de man op te onderbouwen welke erfrechtelijke bepalingen naar Indonesisch recht (overheids- of adatrecht of wellicht een mengvorm van beide) op de vererving van toepassing zijn en wat deze bepalingen inhouden, met inachtneming van wat is vermeld in rechtsoverweging 5.27;
draagt de man op verifieerbare stukken - alle voorzien van een beëdigde Nederlandse of, als dat mogelijk is, Engelse vertaling - over te leggen waaruit blijkt of de moeder van de man ten tijde van haar overlijden in 2007 (een of meerdere percelen) grond op de Molukken in eigendom had, welke grond vervolgens deel is gaan uitmaken van haar nalatenschap en om welke grond het gaat; ingeval blijkt van tot de nalatenschap van de moeder van de man behorende grond dient de man voorts verifieerbare stukken over te leggen waaruit blijkt dat hij, zoals hij stelt, rechtsgeldig afstand heeft gedaan van zijn erfdeel.
2.2
Deze opdrachten waren gebaseerd op de overweging van het hof dat de moeder van de man in 2007 is overleden (zie ook rechtsoverweging 2.4 van de beschikking). Blijkens de thans voorhanden stukken zijn partijen het er over eens dat dat niet juist is en dat de moeder van de man op 24 oktober 2010 is overleden.
2.3
Tevens blijkt uit de thans voorhanden stukken – met name de notariële akte van 16 mei 2020, afkomstig van notaris [B] in [C] , en de daarvan overgelegde vertaling in het Nederlands, waarvan de juistheid op zichzelf door de vrouw niet is betwist – dat uit Indonesische notariële akten blijkt dat onroerende zaken te [D] en [E] , die eerder ten name van een ouder van de man gesteld waren, vóór het overlijden van de moeder van de man zijn overgedragen aan [F] , een broer van de man (namelijk op 24 november 2008 en 12 januari 2009). Dat brengt mee dat er ten aanzien van die onroerende zaken geen sprake van kan zijn dat deze nog tot een eventueel te verdelen nalatenschap van de moeder behoren waarin de man deelgerechtigd zou zijn. Beide percelen/onroerende zaken waren immers vóór het overlijden van de moeder niet meer haar eigendom, en zijn om die reden geen onderdeel van haar nalatenschap gaan uitmaken. De vraag of de man rechtsgeldig afstand heeft gedaan van deze nalatenschap is daarom niet (meer) relevant ten aanzien van deze zaken. Het hof is verder van oordeel dat de man, mede gelet op het tijdsverloop en de grensoverschrijdende aspecten, zijn stellingen thans voldoende met stukken heeft onderbouwd.
2.4
In haar akte van 20 november 2020 stelt de vrouw in punt 5 dat er sprake is van drie percelen grond op de Molukken, twee op [D] en een op [E] . Dat sluit aan bij hetgeen de man in de brief van mr. Selcraig van 30 oktober 2020 stelt. In geval, en voor zover, uit de bovengenoemde notariële akte niet dient te worden afgeleid dat deze betrekking heeft op al deze drie percelen overweegt het hof dat de man ten aanzien van de tweede woning te [D] , en het daarbij behorende stukje grond, heeft aangegeven dat dit weliswaar nog aanwezig is, maar in vervallen toestand verkeert: het uit leem, takken en golfplaten opgetrokken huisje dat tientallen jaren geleden door de vader van de man zelf zou zijn opgericht zou inmiddels door het oerwoud zijn overwoekerd. De vrouw heeft deze stelling van de man niet gemotiveerd weersproken. In dit geval is dan relevant dat de man niet op de wijze zoals het hof heeft bevolen – of anderszins – heeft onderbouwd dat destijds rechtsgeldig afstand is gedaan van dit deel van de nalatenschap van de moeder. Het moet er dan voor worden gehouden dat de man recht had/heeft op 1/7 gedeelte van dit bestanddeel, en dat de vrouw om die reden, bij toedeling van dat aandeel in die nalatenschap aan de man, recht heeft op vergoeding van 1/14 gedeelte van de waarde daarvan. Gelet op de onvoldoende weersproken omschrijving van de man van dit object acht het hof die waarde echter verwaarloosbaar, zodat er geen aanleiding bestaat de vrouw enig bedrag ter zake toe te kennen.
2.5
Mocht hierover al anders geoordeeld moeten worden, dan overweegt het hof (ten overvloede) dat uit de (aanvullende) verklaringen van de man en zijn broer en zussen duidelijk blijkt dat zij allen de bedoeling hebben gehad om geen enkel recht ten aanzien van enige nalatenschap van hun ouders te willen doen gelden, dit ten faveure van broer [F] . De vrouw heeft niet ontkend dat zij van dit standpunt van de man en zijn familie op de hoogte was gedurende het huwelijk van partijen (zoals de man in punt 18 van zijn verweerschrift heeft gesteld). Onder die omstandigheden zou het het hof thans te ver gaan om van de man niettemin te eisen dat hij – enkel omdat de vrouw dit wenst – zijn eventuele rechten – wat daarvan de juridische en geldelijke waarde ook moge zijn – tot gelding zou brengen. De redelijkheid en billijkheid die de man jegens zijn broers en zussen als deelgenoten in de nalatenschap van hun moeder in acht heeft te nemen zou voor het hof zwaarder wegen dan de eisen die redelijkheid en billijkheid tussen gewezen echtgenoten (zoals de man en de vrouw) stellen. Ook in geval aldus geoordeeld zou moeten worden komt de vrouw dus niets toe uit enige nalatenschap van de ouders van de man.

3.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen faalt de grief van de vrouw en zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor wat betreft de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd zoals hierna te vermelden.

4.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 15 maart 2019, voor zover het de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen betreft;
compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep aldus dat elk van partijen de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders in hoger beroep verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Koopman, mr. J.D.S.L. Bosch en M. Weissink, bijgestaan door mr. I.M. Klaver als griffier, en is op 13 april 2021 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.