ECLI:NL:GHARL:2021:3751

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 april 2021
Publicatiedatum
19 april 2021
Zaaknummer
Wahv 200.257.365/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 3 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen bestuurlijke boete vasthouden mobiele telefoon tijdens rijden

De betrokkene werd bij inleidende beschikking beboet voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden op de Rijksweg A73. Hij ontkende de gedraging en stelde dat hij een Snickers vasthield in plaats van een telefoon. De gemachtigde voerde aan dat zonder ambtsedige verklaring de verklaring van de ambtenaar niet doorslaggevend kon zijn en dat de bewijslast bij het bestuursorgaan lag.

Het hof overwoog dat een ambtsedig proces-verbaal niet vereist is en dat de sanctie kan worden gebaseerd op gegevens die door een aangewezen ambtenaar zijn vastgesteld. De verklaring van de ambtenaar, die het voertuig observeerde en de bestuurder met een geactiveerde mobiele telefoon in zijn hand zag, was gedetailleerd en overtuigend. De enkele ontkenning en stelling dat het een Snickers betrof was onvoldoende om aan de juistheid van deze verklaring te twijfelen.

Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De procedure werd schriftelijk gevoerd, waarbij de betrokkene geen gebruik maakte van de mogelijkheid tot nadere toelichting.

De uitspraak werd gedaan door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 19 april 2021, waarbij de sanctie van €230,- gehandhaafd bleef.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de boete van €230,- voor het vasthouden van een mobiele telefoon tijdens het rijden en wijst het beroep en verzoek om proceskostenvergoeding af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.257.365/01
CJIB-nummer
: 213780709
Uitspraak d.d.
: 19 april 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Limburg van 30 augustus 2018, betreffende
[de betrokkene](hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “als bestuurder van een motorvoertuig, bromfiets, snorfiets of gehandicaptenvoertuig met motor tijdens het rijden een mobiele telefoon vasthouden”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 januari 2018 om 15:43 uur op de Rijksweg A73 in Swalmen met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
2.
Namens de betrokkene wordt de gedraging ontkend. De betrokkene had geen telefoon in zijn handen, maar een Snickers (chocoladereep). Wanneer de gedraging wordt ontkend en er geen ambtsedige verklaring ten grondslag ligt aan de beschikking, kan volgens de gemachtigde niet worden volstaan met een verklaring van de ambtenaar. De ontkennende verklaring van de burger staat juridisch gezien op één lijn met de verklaring van de ambtenaar, aldus de gemachtigde. Een doorslaggevende betekenis kan slechts worden toegekend aan een ambtsedige verklaring en die ontbreekt. Nu een bestuurlijke boete een punitieve sanctie is en een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden ligt de bewijslast bij het bestuursorgaan. Het openbaar ministerie (het hof begrijpt: de ambtenaar) heeft onvoldoende aan zijn bewijslast voldaan.
3. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Een ambtsedig proces-verbaal is geen vereiste. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
4. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Ik zag dat de bestuurder tijdens het rijden een op een telefoon gelijkend voorwerp met zijn rechterhand vasthield. Bij de staandehouding zag ik dat het een mobiele telefoon betrof van het merk: iPhone. Zwart en grijs van kleur.”
5. De advocaat-generaal heeft een aanvullend proces-verbaal van 12 juni 2019 overgelegd. Daarin verklaart de ambtenaar –samengevat – dat het voertuig met kenteken [00-YYY-0] viel op, omdat dit ‘dweilde’ over rijstrook 2. De bestuurder hield het voertuig niet strak op de rijstrook, maar slingerde licht. Dit gaf de ambtenaar aanleiding om links naast de personenauto te gaan rijden om erin te kunnen kijken. Vanuit deze positie keek de ambtenaar in de personenauto en zag dat de bestuurder een geactiveerde mobiele telefoon in zijn rechterhand vasthield. Vervolgens is de bestuurder staande gehouden. De bestuurder heeft bij de staandehouding ontkend een mobiele telefoon te hebben vastgehouden en aangevoerd dat hij een ander voorwerp vasthield tijdens het rijden. Dat andere voorwerp zou een chocoladereep kunnen zijn, zoals in het bezwaar aangegeven. De ambtenaar heeft de betrokkene daarop uitgelegd dat hij 100% zeker is dat hij een mobiele telefoon heeft waargenomen.
6. De gedraging wordt ontkend, maar hetgeen de gemachtigde aanvoert komt in feite neer op de enkele stelling dat de betrokkene geen mobiele telefoon maar een Snickers vasthield tijdens het rijden. Dit is onvoldoende om aan de gedetailleerde verklaring van de ambtenaar te twijfelen. De bezwaren treffen geen doel.
7.
Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en het arrest van 1 april 2021, vindplaats: ECLI:NL:GHARL:2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.