ECLI:NL:GHARL:2021:3755

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
19 april 2021
Publicatiedatum
19 april 2021
Zaaknummer
Wahv 200.252.169/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 9 WahvArt. 8.4.90 Regeling voertuigenArt. 8.4.92 Regeling voertuigenArt. 8.4.99 Regeling voertuigen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie overschrijding maximale constructiesnelheid bromfiets

De betrokkene werd gesanctioneerd voor het rijden met een bromfiets die de maximale constructiesnelheid met 10 tot 15 km/u overschreed. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De betrokkene stelde in hoger beroep dat de beslissing van de officier van justitie ondeugdelijk was gemotiveerd omdat deze geen rekening hield met zijn financiële omstandigheden, terwijl de officier van justitie daartoe bevoegd is.

Het hof oordeelde dat de beslissing van de officier van justitie inderdaad een onjuiste rechtsopvatting bevatte, aangezien artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv de officier van justitie wel de bevoegdheid geeft om rekening te houden met omstandigheden van de betrokkene bij het vaststellen van de sanctie. Hierdoor was de betrokkene benadeeld en was de motivering onvoldoende.

Daarnaast stelde de betrokkene dat de meting met de bromfietsrollentestbank niet volgens de geldende voorschriften was uitgevoerd, onder meer omdat het rapport van goedkeuring ontbrak en de momentele snelheid niet werd weergegeven. Het hof stelde echter vast dat de momentele en resulterende snelheden wel waren vastgesteld en dat er geen reden was om aan de meting te twijfelen.

Het hof vernietigde daarom de beslissing van de kantonrechter en die van de officier van justitie, verklaarde het beroep tegen de officier van justitie gegrond, maar verwierp het beroep tegen de inleidende beschikking. Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.

Uitkomst: Beslissing van de officier van justitie vernietigd wegens onjuiste motivering, beroep tegen inleidende beschikking ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.252.169/01
CJIB-nummer
: 207698792
Uitspraak d.d.
: 19 april 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 28 november 2018, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard en het verzoek om een proceskostenvergoeding afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat de kantonrechter heeft miskend dat de beslissing van de officier van justitie berust op een ondeugdelijke motivering. In die beslissing is namelijk overwogen dat de Wahv er niet in voorziet om rekening te houden met de financiële omstandigheden van de betrokkene, terwijl de officier van justitie wel degelijk de bevoegdheid heeft om sancties te matigen op grond van de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert, waaronder de financiële omstandigheden. Dit gebrek kan niet met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd.
2. De beslissing van de officier van justitie is - voor zover relevant - als volgt gemotiveerd:
“U verzoekt om rekening te houden met uw financiële omstandigheden. De Wahv voorziet er niet in om hiermee rekening te houden. Uw verzoek wordt afgewezen.”
3. De kantonrechter heeft, onder verwijzing naar artikel 6:22 van Pro de Awb, geoordeeld dat de beslissing van de officier van justitie in stand kan worden gelaten omdat de betrokkene hierdoor niet in zijn belangen is benadeeld. Hierbij is in aanmerking genomen dat het draagkrachtverweer niet is onderbouwd.
4.
Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk is gemotiveerd, nu deze een onjuiste rechtsopvatting bevat. Op grond van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wahv kan de officier van justitie gelet op de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert een lager bedrag van de administratieve sanctie vaststellen.
5.
Anders dan de kantonrechter is het hof echter van oordeel dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokkene door het motiveringsgebrek niet is benadeeld. De officier van justitie beschikt namelijk over een eigenstandige bevoegdheid om het bedrag van een sanctie lager vast te stellen wanneer de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert dat rechtvaardigen. Nu in administratief beroep door de gemachtigde, tijdens de hoorzitting op 18 december 2017, is verzocht om rekening te houden met de financiële omstandigheden van de betrokkene en deze grond als zodanig niet bij de beoordeling is betrokken, is de betrokkene naar het oordeel van het hof benadeeld door de gebrekkige motivering. Aldus heeft de kantonrechter ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 6:22 van Pro de Awb. Dit betekent dat de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie ten onrechte in stand heeft gelaten. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie vernietigen. De overige bezwaren tegen de beslissingen behoeven geen bespreking meer.
6.
Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 120,- voor: “als bestuurder met een bromfiets rijden terwijl de bromfiets de maximale constructiesnelheid overschrijdt met 10 tot en met 15 kilometer per uur (feitcode N086B)”. Deze gedraging zou zijn verricht op 23 mei 2017 om 18:15 uur op de Nieuwe Gouwe O.Z. in Gouda met het voertuig met het kenteken [YYY-00-Y] .
7. Namens de betrokkene wordt de gedraging ontkend. In de destijds geldende Aanwijzing meting maximumconstructiesnelheid is opgenomen dat de bromfietsrollentestbanken moeten voldoen aan de voorschriften die in de (destijds geldende) Regeling voertuigen zijn opgenomen en voor het toegepaste gebruik zijn goedgekeurd door een daartoe bevoegde instantie. Het dossier bevat geen
rapport waaruit de goedkeuring van de gebruikte bromfietsrollentestbank blijkt. Dit rapport is ook niet openbaar te raadplegen. Verder staat in artikel 8.4.99 van de Regeling voertuigen dat de bromfietsrollentestbank ten minste (tijdens de test) de momentele waarde van de snelheid aangeeft en - na correcte uitvoering van de test - de resulterende meetwaarde. De resulterende meetwaarde heeft betrekking op de hoogste waarde van het gemiddelde over minimaal twee seconden waarbij het voertuig zijn maximale prestatie levert. De momentele waarde van de snelheid werd niet aangegeven tijdens de test en blijkt ook niet uit het dossier. Verder heeft de betrokkene geconstateerd, dat de momentele waarde van de snelheid niet werd aangegeven tijdens de test. Uit het dossier is hiervan ook niet gebleken. De betrokkene mocht de gehele test meekijken en de betrokkene heeft toen ook aangegeven dat de ambtenaar op de bromfietsrollentestbank moest gaan zitten. Nu de test niet conform de destijds geldende wet- en regelgeving is uitgevoerd, kan de opgelegde sanctie niet in stand blijven.
8. In de destijds geldende Aanwijzing meting maximumconstructiesnelheid is opgenomen dat de bromfietsrollentestbanken moeten voldoen aan de voorschriften die in de destijds geldende Regeling voertuigen (Rv) zijn opgenomen. Ingevolge artikel 8.4.99 Rv stelt de bromfietsrollentestbank ten minste de volgende waarden vast: a. tijdens de test de momentele waarde van de snelheid en b. na correcte uitvoering van de test de resulterende meetwaarde.
Ingevolge artikel 8.4.90 Rv wordt onder een resulterende meetwaarde verstaan: door de bromfietsrollentestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als uiteindelijk resultaat van de test wordt gepresenteerd. Artikel 8.4.92 aanhef en onder a Rv bepaalt dat de maximale fout voor bromfietsrollentestbanken bij een snelheid van lager dan of gelijk aan 50 km/h 5 km/h is.
9. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houden de gegevens in het zaakoverzicht kort samengevat in dat is gemeten dat met het voertuig met het kenteken [YYY-00-Y] een maximumconstructiesnelheid is gereden van 46 km per uur op de onder 6. genoemde datum, tijd en plaats en dat de werkelijke (gecorrigeerde) maximumsnelheid 41 km/h bedroeg. Dit is vastgesteld door middel van een goedgekeurde bromfietsrollentestbank. De toegestane maximumconstructie-snelheid van het voertuig met het hiervoor genoemde kenteken bedroeg 29 km per uur (25 + 4).
10. Het hof stelt vast dat blijkens het zaakoverzicht zowel de gemeten (afgelezen) maximumconstructiesnelheid (oftewel de momentele maximumconstructiesnelheid) als de werkelijke (gecorrigeerde) maximumconstructiesnelheid (oftewel de resulterende maximumconstructiesnelheid) zijn vastgesteld. De stelling dat de betrokkene heeft geconstateerd dat de momentele waarde van de snelheid tijdens de test niet werd vastgesteld, mist derhalve feitelijke grondslag. Geen rechtsregel schrijft voor dat de ambtenaar tijdens de test op de bromfietsrollentestbank moet gaan zitten. Wel is in voormelde Aanwijzing vermeld dat het in specifieke gevallen is toegestaan om een overschrijding van de maximumsnelheid vast te stellen door middel van een rijproef. Voorts schrijft geen rechtsregel voor dat een keuringscertificaat betreffende de gebruikte bromfietsrollentestbank in het dossier moet zijn opgenomen. Dat kan anders zijn wanneer er in een concreet geval aanleiding bestaat om aan de meting te twijfelen. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken.
11. Op basis van de gegevens in het dossier kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. Hetgeen de gemachtigde aanvoert is onvoldoende om hieraan te twijfelen. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking dan ook ongegrond verklaren.
12. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken. De griffier is verhinderd dit arrest mede te ondertekenen.