Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2021:3951

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
22 april 2021
Publicatiedatum
22 april 2021
Zaaknummer
21-004159-18
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3a OpiumwetArt. 422 SvArt. 423 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van hennepteelt en subsidierechterlijke strafoplegging

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland. De zaak betrof primair het ten laste gelegde bezit en teelt van hennepplanten in een pand te [woonplaats1], waarbij verdachte eigenaar was. De hennepkwekerij werd aangetroffen na een brand in het pand op 1 januari 2017.

Tijdens het onderzoek en de terechtzitting heeft het hof alle wettige bewijsmiddelen beoordeeld, waaronder verklaringen van verdachte en medeverdachten. Hoewel er aanwijzingen waren dat verdachte op de hoogte was van de hennepkwekerij, waren deze onvoldoende om wettig en overtuigend bewijs te vormen voor het primair en subsidiair ten laste gelegde. Daarom sprak het hof verdachte vrij van deze tenlasteleggingen.

Het hoger beroep betrof niet de zaak met parketnummer 18-057953-18, waarvoor de rechtbank een taakstraf oplegde. Het hof bepaalde voor deze zaak een geldboete van €500, te vervangen door 10 dagen hechtenis bij niet-betaling. De benadeelde partij werd in eerste aanleg niet-ontvankelijk verklaard. Het vonnis van de politierechter werd vernietigd voor zover het betrekking had op het primaire tenlastegelegde en opnieuw recht gedaan.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde wegens onvoldoende bewijs; voor de andere zaak is een geldboete van €500 en 10 dagen hechtenis opgelegd.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004159-18
Uitspraak d.d.: 22 april 2021
TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 20 juli 2018 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 18-035959-18 en 18-057953-18, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990,
volgens de SKDB ingeschreven te [woonplaats1] , [woonadres1] , volgens eigen opgave ter zitting wonende te [woonplaats2] , [woonadres2] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld. Hij heeft het hoger beroep beperkt tot de feiten tenlastegelegd onder parketnummer 1803595918.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 8 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot:
  • vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 1803595918 primair tenlastegelegde;
  • veroordeling ter zake van het in de zaak met parketnummer 1803595918 subsidiair tenlastegelegde tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 130 uren, subsidiair 65 dagen hechtenis;
  • bepaling van de door de rechtbank opgelegde straf voor het in de zaak met parketnummer 18-057953-18 bewezenverklaarde op een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis.
Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,
mr. T. van der Goot, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Noord-Nederland heeft verdachte bij vonnis van 20 juli 2018, waartegen het hoger beroep is gericht, veroordeeld ter zake van het in de zaak met parketnummer 18-035959-18 subsidiair tenlastegelegde en het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 18-057953-18 tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met een proeftijd van 2 jaren, en een taakstraf voor de duur van 150 uren, subsidiair 75 dagen hechtenis. Voorts heeft de politierechter de benadeelde partij in de zaak met parketnummer 18-057953-18 niet-ontvankelijk verklaard.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover thans nog van belang – tenlastegelegd dat:
Zaak met parketnummer 18-035959-18:
primair
hij in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 1 januari 2017, te [woonplaats1] , in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand/perceel aan de [woonadres1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1500, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 1 januari 2017 te [woonplaats1] , in de gemeente [gemeente] met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand/perceel aan de [woonadres1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1500, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 1 november 2016 tot en met 1 januari 2017 te [woonplaats1] , in de gemeente [gemeente] , in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand/perceel voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Door de raadsman van verdachte is, op gronden zoals weergegeven in het door hem ter zitting van het gerechtshof overgelegde pleitnota, vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 18-035959-18 primair en subsidiair tenlastegelegde.
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot veroordeling van verdachte ter zake het subsidiair tenlastegelegde.
Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 18-035959-18 primair dan wel subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Daartoe overweegt het hof in het bijzonder nog als volgt.
Ten aanzien van verdachte kan aan de hand van het strafdossier worden vastgesteld dat hij eigenaar was van en woonde in het pand aan de [woonadres1] te [woonplaats1] , toen daar op 1 januari 2017 naar aanleiding van een in het pand ontstane brand een hennepkwekerij werd aangetroffen. De hennepkwekerij bevond zich in het achterste deel van het pand, niet zijnde het woon- dan wel bedrijfsgedeelte. Dit gedeelte was, volgens verklaringen van verdachte en de beide medeverdachten, in bruikleen bij de vader van verdachte. Hoewel er wel aanwijzingen in het dossier zijn te vinden dat verdachte weet had van de hennepkwekerij, worden deze aanwijzingen voor een deel weerlegd door de verklaringen van verdachte. Voor het resterende deel zijn deze aanwijzingen onvoldoende om te komen tot het wettige en overtuigende bewijs van het primair dan wel subsidiair tenlastegelegde.

Strafbepaling feit parketnummer 18-057953-18

Nu het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het in de zaak met parketnummer 18035959-18 tenlastegelegde zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 van Pro het Wetboek van Strafvordering de straf bepalen ten aanzien van het door de rechtbank in zaak met parketnummer 18-057953-18 bewezenverklaarde, te weten op een geldboete ter hoogte van € 500,-, subsidiair 10 dagen hechtenis.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 18-035959-18 primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het in zaak 18-057953-18 bewezenverklaarde op:
een
geldboetevan
€ 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door
10 (tien) dagen hechtenis.
Aldus gewezen door
mr. M.B. de Wit, voorzitter,
mr. J.J. Beswerda en mr. M.C. Fuhler, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. S.M. Nicolai, griffier,
en op 22 april 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.