De zaak betreft het hoger beroep van ouders tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van hun minderjarige kind in een pleegzorgvoorziening. De kinderrechter had de machtiging verlengd tot uiterlijk 28 april 2021. De ouders verzochten het hof om deze beschikking te vernietigen en een perspectiefonderzoek te gelasten om te bepalen waar het toekomstperspectief van het kind dient te liggen.
De ouders stelden dat het perspectiefonderzoek lang op zich liet wachten en dat zij in staat zijn voor het kind te zorgen, mede omdat zij ook voor een jonger broertje zorgen met hulpverlening. De gecertificeerde instelling (GI) voerde verweer en stelde dat het kind gehecht is aan de pleegouders en dat de aanvaardbare termijn voor thuisplaatsing is verstreken. Daarnaast was er geen goede communicatie tussen ouders en pleegouders, en het kind had de ouders sinds oktober 2020 niet gezien.
Het hof oordeelde dat het verzoek om een perspectiefonderzoek onvoldoende concreet was en dat een dergelijk onderzoek niet voor het aflopen van de machtiging kon worden afgerond. Tevens erkenden de ouders tijdens de mondelinge behandeling dat het kind niet binnen de geldende machtiging bij hen geplaatst kan worden. Het hof concludeerde dat de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn en besloot de bestreden beschikking te bekrachtigen.