De zaak betreft een hoger beroep van een vrachtwagenchauffeur tegen Transport Vossink B.V. over de financiële afwikkeling van zijn arbeidsovereenkomst die liep van 18 februari 2019 tot 18 februari 2020. De werknemer vordert betaling van achterstallig loon, aanzegvergoeding en vergoedingen, waarbij de aanzegvergoeding in hoger beroep buiten beschouwing is gelaten.
De kern van het geschil betreft de loonberekening, waarbij de werkgever urenverantwoordingsstaten van de werknemer nooit heeft gecorrigeerd of teruggegeven en meer pauze-uren aftrok dan daadwerkelijk genoten. De werknemer stelde dat hij recht heeft op loon gebaseerd op de ongecorrigeerde urenstaten, terwijl de werkgever een lagere loonvordering berekende op basis van een pauzestaffel uit de cao.
Het hof oordeelt dat de werkgever de werknemer niet zomaar voor minder uren mag betalen dan daadwerkelijk is gewerkt en dat de werknemer recht heeft op het hogere bedrag van € 11.712,09 bruto. Daarnaast is de wettelijke verhoging van 25% en wettelijke rente vanaf 31 maart 2020 toewijsbaar. Ook worden buitengerechtelijke incassokosten toegewezen. De beschikking van de kantonrechter wordt vernietigd behalve voor de aanzegvergoeding, en de werkgever wordt veroordeeld in de proceskosten.