De betrokkene werd gesanctioneerd voor het rijden met een voertuig waarvan de lichtdoorlatendheid van de voorste zijruiten minder dan 55% bedroeg. Dit gebeurde op 22 mei 2019 met een rolstoelbus die was omgebouwd voor gehandicaptenvervoer en goedgekeurd door de RDW.
De gemachtigde van de betrokkene erkende de overtreding niet, maar stelde dat de ombouw van de bus in 2003 plaatsvond in opdracht van de gemeente Zuidhorn en dat de bus door de RDW was goedgekeurd. De zijruiten waren vervangen om de warmte buiten te houden vanwege de gevoeligheid van de gehandicapte zoon. De gemachtigde was niet op de hoogte dat de ruiten niet aan de wettelijke eisen voldeden.
Het hof achtte de stellingen van de gemachtigde aannemelijk en concludeerde dat de dwaling verontschuldigbaar was. De keuring door de RDW had de lichtdoorlatendheid van de zijruiten niet beoordeeld. De sanctie werd daarom gematigd tot nihil. Het hof benadrukte dat toekomstige overtredingen niet zonder meer op verontschuldigbare dwaling kunnen worden gebaseerd en dat de betrokkene verantwoordelijk is voor het voldoen aan de wettelijke eisen.