ECLI:NL:GHARL:2021:4083

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
28 april 2021
Publicatiedatum
28 april 2021
Zaaknummer
Wahv 200.281.430/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WahvArt. 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 11 Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging sanctiebeschikking wegens onjuiste toepassing artikel 5 Wahv bij undercoveractie

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd voor het niet volgen van de juiste voorsorteerrichting op een kruispunt. Deze sanctie werd opgelegd aan de kentekenhouder, omdat de politie de bestuurder niet staande hield tijdens een undercoveractie waarbij een Marokkaanse trouwstoet werd gevolgd.

De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder was opgelegd, omdat er wel degelijk een reële mogelijkheid was om de bestuurder staande te houden. De politie had bewust afgezien van een staandehouding om de undercoveractie niet te verstoren, ondanks dat stopmiddelen aanwezig waren.

Het hof oordeelt dat volgens artikel 5 Wahv Pro de sanctie aan de bestuurder moet worden opgelegd wanneer deze staande gehouden kan worden, tenzij dat redelijkerwijs niet van de ambtenaar kan worden verlangd. De keuze om de undercoveractie te beschermen vormt geen geldige reden om af te zien van staandehouding.

Daarom vernietigt het hof de sanctiebeschikking en de beslissing van de officier van justitie. Tevens veroordeelt het hof de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten en een gedeeltelijke vergoeding van de verletkosten van de betrokkene.

Uitkomst: De sanctiebeschikking wordt vernietigd omdat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder is opgelegd en niet aan de bestuurder.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.281.430/01
CJIB-nummer
: 220633130
Uitspraak d.d.
: 28 april 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 16 juni 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht, waarbij is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 24 december 2020 zijn nog aanvullende stukken in het geding gebracht door de advocaat-generaal, in afschrift doorgezonden aan de gemachtigde van de betrokkene.
De gemachtigde van de betrokkene heeft hier bij schrijven van 20 december 2020 op gereageerd.
De zaak is behandeld op de zitting van 14 april 2021, waar de gemachtigde van de betrokkene en de betrokkene zijn verschenen en de advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [B] .

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “op een kruispunt niet de richting volgen die de voorsorteerstrook aangeeft”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 oktober 2018 om 15:33 uur op de Burgemeester van Reenensingel in Gouda met het voertuig met het kenteken [YY-000-Y] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep onder meer aan dat in de onderhavige zaak ten onrechte op kenteken is bekeurd. Uit de verklaring van de ambtenaar volgt dat er opdracht was om een Marokkaanse bruidsstoet te volgen en dat ze in een undercovervoertuig reden, maar dit is onvoldoende om aan te nemen dat er geen reële mogelijkheid bestond om de bestuurder van het voertuig staande te houden. Uit in hoger beroep naar voren gekomen informatie volgt bovendien dat in het voertuig stopmiddelen aanwezig waren, maar dat de ambtenaar bewust van een staandehouding heeft afgezien omdat de verwachting was dat er zwaardere overtredingen gepleegd zouden worden. Onder die omstandigheden mag de sanctie volgens de gemachtigde niet aan de kentekenhouder worden opgelegd.
3. De advocaat-generaal merkt ter zitting op dat het dossier weinig informatie bevat omtrent de wijze waarop de operatie is ingezet en de verdere bevindingen van die dag. Een goed beeld van wat zich verder die dag heeft afgespeeld, kan thans niet verkregen worden. Er is meermaals de mogelijkheid geweest om helderheid te verschaffen, maar dat is niet gebeurd.
4. Uit artikel 5 van Pro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd, tenzij dat in redelijkheid niet van de ambtenaar kan worden verlangd. In dat geval mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Als op dit punt een verweer wordt gevoerd, zal de officier van justitie of de rechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen en zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting moeten vragen.
5. De verklaring van de ambtenaren in het zaakoverzicht ten aanzien van dit punt houdt in dat geen staandehouding is uitgevoerd, omdat de opdracht was om een Marokkaanse bruiloft (het hof begrijpt: trouwstoet) te volgen met de videoauto. Het dossier bevat daarnaast een op 11 februari 2020 op ambtsbelofte opgemaakt aanvullend proces-verbaal waarin ambtenaar [C] – voor zover van belang – verklaart dat ze opdracht hadden gekregen van de centrale meldkamer om een Marokkaanse trouwstoet te volgen en toezicht te houden en te handhaven op de mogelijk gemaakte verkeersovertredingen en dat ze daarbij, in uniform gekleed, reden in een onopvallend videosurveillancevoertuig.
6. In hoger beroep is door de advocaat-generaal een op 11 december 2020 op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal overgelegd waarin – voor zover relevant – het volgende is opgenomen:
“Op de vragen gesteld in het verzoek van 10 december 2020 of in het videosurveillancevoertuig stopmiddelen aanwezig zijn, moet ik hierop bevestigend antwoorden. De reden waarom wij besloten hebben om de Mercedes (middels deze middelen) niet staande te houden was vanwege het feit dat hier sprake was van een zogenaamde ‘lichte overtreding’ en wij de verwachting hadden dat er, gezien het feit dat deze stoet richting de autosnelweg A12 reed, zwaardere overtredingen gepleegd zouden kunnen gaan worden. Op een autosnelweg liggen de snelheden namelijk veel hoger en is het risico ook groter dat de verkeersregels overtreden worden. Door de stoet te blijven volgen zouden wij tevens een beter beeld krijgen van de stoet in zijn geheel en zou er bij excessief verkeersgedrag gehandhaafd kunnen worden. Wij hebben dus een bewuste keuze gemaakt om de Mercedes niet staande te houden en derhalve te verbaliseren op kenteken.”
7. Uit voormelde verklaringen volgt dat de ambtenaren enige tijd achter het voertuig van de betrokkene hebben gereden, terwijl zij daarbij reden in een, weliswaar onopvallend, videosurveillancevoertuig voorzien van stopmiddelen. De ambtenaren hebben er volgens hun eigen verklaringen bewust voor gekozen de bestuurder van het voertuig waarmee de onder 1. vermelde gedraging werd verricht niet staande te houden, omdat zij hun opdracht om de trouwstoet te volgen niet in gevaar wilden brengen en zij de verwachting hadden dat op een later moment zwaardere verkeersovertredingen konden worden gepleegd. Hieruit volgt dat zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig heeft voorgedaan, waarbij de ambtenaren aanstonds hebben kunnen vaststellen wie de bestuurder van het voertuig was ten tijde van het verrichten van de gedraging. In een dergelijk geval dient de sanctie te worden opgelegd aan de bestuurder van het voertuig en niet aan de kentekenhouder. Dat de undercoveractie daarbij wellicht zou zijn geëindigd, vormt onvoldoende aanleiding om af te zien van een staandehouding. Of er later nog zwaardere verkeersovertredingen zijn begaan, wordt bovendien niet duidelijk. Dit betekent dat de ambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in artikel 5 van Pro de Wahv door de sanctie aan de kentekenhouder op te leggen. Aan die onjuiste toepassing verbindt het hof de consequentie dat de beschikking, waarbij de sanctie aan de betrokkene als kentekenhouder is opgelegd, moet worden vernietigd. Het hof zal beslissen als hierna vermeld.
8. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van het administratief beroepschrift, het beroepschrift bij de kantonrechter, het verschijnen ter zitting en ter nadere zitting bij de kantonrechter, het indienen van het hoger beroepschrift, het indienen van de nadere toelichting en het verschijnen ter zitting van het hof dienen in totaal zes procespunten te worden toegekend. Ook aan het telefonisch horen dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het voor het horen door de officier van justitie toegekende punt halveren. De waarde per punt bedraagt € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van
€ 1.735,50.
9. De betrokkene heeft ten slotte nog verzocht om een vergoeding van verletkosten ad € 450,-. Hij is kaakchirurg in opleiding in het Medisch Centrum [D] en verdient € 900,- per dag. De betrokkene heeft de middag, aldus een halve dag, niet kunnen werken om aanwezig te kunnen zijn ter zitting.
10. Ingevolge vaste jurisprudentie van het hof komen verletkosten voor vergoeding in aanmerking indien en voor zover zij zijn gemaakt ten behoeve van het bijwonen van een zitting of nemen van inzage in de stukken ter griffie. Ingevolge artikel 2 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het bedrag van de verletkosten vastgesteld overeenkomstig een uurtarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 7,- en € 88,- bedraagt.
11. Het hof stelt vast dat het door de betrokkene gevorderde bedrag aan verletkosten neerkomt op een uurtarief van € 112,50. Het hof zal, gelet op bepaalde in artikel 2 van Pro voormeld Besluit, het verzoek om een vergoeding van verletkosten toewijzen tot een bedrag van € 352,- (4 x € 88,-).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van Pro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 2.087,50.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.