Partijen zijn in 2019 gehuwd in gemeenschap van goederen en hebben in 2020 de echtscheiding aangevraagd. De rechtbank heeft de echtscheiding uitgesproken en de verdeling van de woning en huwelijksgoederengemeenschap geregeld. De vrouw is in hoger beroep gekomen met een grief over de verdeling van een belastingteruggave en de verkoopopbrengst van roerende zaken, en verzoekt vernietiging van het deel van de beschikking dat de gemeenschap voor het overige verdeelt.
De man voert verweer en is voorwaardelijk in incidenteel hoger beroep gekomen met een tegenvordering van €17.004,50 wegens door hem betaalde kosten en meegenomen inboedel. Het hof oordeelt dat hoger beroep ook kan dienen voor vermeerdering van eis en verklaart de vrouw ontvankelijk.
Het hof stelt vast dat de belastingteruggave deels verband houdt met gezamenlijke woningkosten en dat de man geen bewijs heeft geleverd dat hij alle kosten alleen heeft gedragen. Daarom komt de helft van de teruggave toe aan de vrouw. Ook de helft van de verkoopopbrengst van roerende zaken moet aan de vrouw worden betaald. De vordering van de man wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en onduidelijkheid over privé- en gemeenschappelijk vermogen.
Het hof bekrachtigt de beschikking van de rechtbank en bepaalt aanvullend dat de man €3.411,- aan de vrouw moet betalen. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.