ECLI:NL:GHARL:2021:4240

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 mei 2021
Publicatiedatum
4 mei 2021
Zaaknummer
21-005437-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c SrArt. 22d Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging zwaar lichamelijk letsel en mishandeling dochter na intreden voordeurruit

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelde het hoger beroep van verdachte tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland. Verdachte werd verdacht van poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en mishandeling van zijn dochter, die zich op de arm van haar moeder bevond achter de voordeur waarvan verdachte de ruit had ingetrapt.

Na onderzoek van het dossier en de zitting op 21 april 2021 heeft het hof geoordeeld dat er onvoldoende wettige bewijsmiddelen zijn om verdachte te veroordelen voor de poging tot zwaar lichamelijk letsel en mishandeling. Verdachte richtte zich erop de deur niet dicht te laten gaan en was niet gericht op het toebrengen van letsel aan zijn dochter. Daarom sprak het hof verdachte vrij van deze tenlasteleggingen.

Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter voor zover het betrekking had op deze feiten en bepaalde de straf voor het andere bewezen verklaarde feit, waarvoor verdachte niet in hoger beroep was gegaan, op een voorwaardelijke taakstraf van tien uren met een proeftijd van twee jaar. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen omdat verdachte niet schuldig werd verklaard aan de feiten die de schade zouden veroorzaken.

De opgelegde taakstraf zal niet ten uitvoer worden gelegd tenzij verdachte zich binnen de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit. De tijd die verdachte in voorarrest doorbracht wordt in mindering gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uren per dag voorarrest.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van poging tot zwaar lichamelijk letsel en mishandeling; taakstraf voor ander feit blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-005437-19
Uitspraak d.d.: 4 mei 2021
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 9 oktober 2019 met parketnummer 16-166463-19 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 21 april 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit tot een taakstraf van vijftien uren subsidiair acht dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts vorderde de advocaat-generaal niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde feit, waartegen het beroep van verdachte zich niet richt, de straf bepaalt op een taakstraf van tien uren subsidiair vijf dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. J.J.M. Kleiweg, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte ten aanzien van het onder 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één week met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van dertig uren subsidiair vijftien dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de politierechter de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:
2. primair
hij op of omstreeks 9 juli 2019 te [plaats] , gemeente [gemeente] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan zijn kind [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, de ruit van een voordeur heeft ingetrapt waarachter die [benadeelde partij] zich (direct) bevond waardoor glasscherven en/of glassplinters in de directe nabijheid van en/of op/tegen het lichaam van die [benadeelde partij] terecht zijn gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2. subsidiair
hij op of omstreeks 9 juli 2019 te [plaats] , gemeente [gemeente] zijn kind, [benadeelde partij] , heeft mishandeld door de ruit van een voordeur in te trappen waarachter die [benadeelde partij] zich (direct) bevond waardoor glasscherven en/of glassplinters in de directe nabijheid van en/of op/tegen het lichaam van die [benadeelde partij] terecht zijn gekomen;
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak ten aanzien van het onder 2 primair tenlastegelegde feit

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Vrijspraak ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit

Uit het dossier en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, leidt het hof af dat verdachte zich ten tijde van het tenlastegelegde feit erop richtte de deur van de woning van zijn ex-vriendin niet dicht te laten gaan. Ook blijkt van geen enkele gerichtheid van de handelingen van verdachte in de richting van [benadeelde partij] , of van dusdanige gedragingen dat daarvan gezegd kan worden dat hij het letsel van [benadeelde partij] als gevolg van zijn handelen bewust heeft aanvaard.
Het hof heeft aldus uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Bepaling van de hoofdstraf op grond van het bepaalde in artikel 423, vierde lid van het Wetboek van Strafvordering
Nu het hoger beroep uitsluitend is gericht tegen het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde zal het hof overeenkomstig het bepaalde in het vierde lid van artikel 423 van Pro het Wetboek van Strafvordering slechts de straf bepalen ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde misdrijf, te weten op een voorwaardelijke taakstraf van tien uren, subsidiair vijf dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 680,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.
De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 2 primair en subsidiair tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt de door de rechtbank opgelegde straf voor het onder 3 bewezenverklaarde op:
een
taakstrafvoor de duur van
10 (tien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
5 (vijf) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Aldus gewezen door
mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, voorzitter,
mr. J. Hielkema en mr. W. Geelhoed, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. J.R. Sotthewes-de Jonge, griffier,
en op 4 mei 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.