ECLI:NL:GHARL:2021:4387

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 mei 2021
Publicatiedatum
4 mei 2021
Zaaknummer
Wahv 200.266.234/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:22 AwbArt. 62 RVV 1990Art. 81 RVV 1990
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging hogere sanctie voor gebruik busstrook met wegdekmarkering versus bord

De betrokkene maakte bezwaar tegen een opgelegde sanctie van €140 wegens het gebruik van een busstrook die was aangeduid met het woord «BUS» op het wegdek. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. In hoger beroep betoogde de gemachtigde dat het sanctiebedrag onterecht hoger was dan bij een vergelijkbare overtreding waarbij de busstrook met een bord was aangeduid (€95). Het hof oordeelde dat de beslissing van de officier van justitie voldoende was gemotiveerd en dat het verschil in sanctiebedragen gerechtvaardigd is.

De gedraging met feitcode R622 betreft het gebruik van een busstrook aangeduid met het woord «BUS» op het wegdek, terwijl feitcode R599a betrekking heeft op een busstrook aangeduid met bord F13. De hogere sanctie voor R622 is gebaseerd op de grotere gevaarzetting en de moeilijker te verontschuldigen aard van de overtreding, omdat het woord «BUS» continu op het wegdek staat en de busstrook vaak langer en anders ingericht is dan reguliere wegen.

Het hof concludeerde dat geen aanleiding bestaat om het sanctiebedrag te matigen en bevestigde daarom het vonnis van de kantonrechter. Tevens wees het hof het verzoek om proceskostenvergoeding af. Het arrest werd gewezen door mr. Van Schuijlenburg en uitgesproken op een openbare zitting.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de sanctie van €140 voor het gebruik van een busstrook met wegdekmarkering en wijst het beroep af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.266.234/01
CJIB-nummer
: 214766518
Uitspraak d.d.
: 4 mei 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 7 augustus 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde voert aan dat de beslissing van de officier van justitie niet berust op een deugdelijke motivering. De kantonechter heeft deze beslissing ten onrechte met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in stand gelaten.
2. Het hof is van oordeel dat beslissing van de officier van justitie berust op een deugdelijke motivering. De officier van justitie heeft voldoende inzichtelijk gemaakt waarom de door de gemachtigde aangevoerde gronden geen doel treffen en was niet gehouden om hierop in verdergaande mate te responderen dan hij heeft gedaan. Dat daarbij gebruik is gemaakt van standaard tekstblokken maakt dit niet anders.
3. Verder zijn de bezwaren van de gemachtigde gericht tegen het in stand laten van de inleidende beschikking, waarbij aan de betrokkene een sanctie is opgelegd van € 140,- voor: “anders dan met lijnbus of autobus gebruik maken van busbaan of -strook aangeduid met «BUS»” (feitcode R622). Deze gedraging zou zijn verricht op 23 februari 2018 om 8:28 uur op de Vaanweg in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
4. De gemachtigde voert aan dat niet valt in te zien dat bij de gedraging met feitcode R622 (het gebruiken van een busbaan die als zodanig is aangeduid door middel van belijning op het wegdek) een hoger sanctiebedrag hoort dan bij de gedraging met feitcode R599a (het gebruiken van een busbaan die is aangeduid door middel van een bord). Nu er geen rechtvaardiging lijkt te bestaan voor het verschil in het sanctiebedrag, terwijl het feitelijk gaat om dezelfde gedraging, dient het sanctiebedrag van de aan de betrokkene opgelegde sanctie te worden vastgesteld op € 95,-.
5. De gedraging met feitcode R622 waarvoor de onderhavige sanctie is opgelegd betreft een overtreding van artikel 62 jo Pro. artikel 81 van Pro het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990).
6. Artikel 62 van Pro het RVV 1990 houdt in dat weggebruikers verplicht zijn gevolg te geven aan de verkeerstekens die een gebod of verbod inhouden.
7. Artikel 81 van Pro het RVV 1990 houdt voor zover relevant in dat busstroken waarop het woord «BUS» is aangebracht slechts mogen worden gebruikt door bestuurders van een lijnbus, een autobus of een tram. De bij deze gedraging behorende sanctie bedraagt € 140,-.
8. De gedraging met feitcode R599a betreft een overtreding van artikel 62 jo Pro. bord F13 van bijlage 1 bij het RVV 1990. Bord F13 duidt een rijbaan of -strook uitsluitend ten behoeve van lijnbussen aan. De bij deze gedraging behorende sanctie bedraagt € 95,-.
9. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“De betrokkene gebruikte de busstrook.”
10. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat niet wordt betwist dat de betrokkene gebruik heeft gemaakt van een busstrook waarop het woord «BUS» was aangebracht, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging met feitcode R622 is verricht.
11. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof vervolgens te beoordelen of er een reden is om het bedrag van de sanctie te matigen.
12. In het dossier bevindt zich een brief van de officier van justitie d.d. 15 april 2018 waarin wordt toegelicht waarom de sanctiebedragen van de twee bovengenoemde gedragingen verschillen. In die brief staat voor zover relevant het volgende:
“Feitcode R622 betreft het verwijt waarbij men gebruik maakt van een busbaan die op het wegdek als zodanig is aangeduid en R599a die waarbij men gebruik maakt van een rijbaan als die als busbaan wordt aangeduid middels een bord F13.
Navraag bij de afdeling Beleid & Strategie van het parket CVOM levert het volgende op:
Bij de bebordingfeiten (hier R599a) is aansluiting gezocht bij de feiten die er al waren (laagste categorie tarievenhuis, 95 euro), ongeacht wat het bord precies inhield.
In de verwijtbaarheid/gevaarzetting tussen de twee feiten zit wel degelijk een verschil. Een eenmalig geplaatst bord niet zien gebeurt sneller en als men daar eenmaal voorbij gereden is wordt men niet nogmaals op de overtreding gewezen. Wanneer men op een baan rijdt waar constant het woord bus op wordt herhaald is de overtreding moeilijker te verontschuldigen.
Voor wat betreft de gevaarzetting kan worden opgemerkt dat in het geval van R622 het veelal om langere stukken weg gaat, die vaak ook qua inrichting anders zijn dan de reguliere weg en waarbij een chauffeur minder rekening houdt dat er andere bestuurders rijden die daar niet thuis horen. Dat levert een grotere gevaarzetting op dan bij het bebordingsfeit, wat het verschil in sanctiebedragen verklaart.”
13. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding het bedrag van de sanctie te matigen. De regelgever heeft voor de verschillende gedragingen verschillende sanctiebedragen vastgesteld. In de bovengenoemde brief is toegelicht waarom de sanctiebedragen van de genoemde gedragingen verschillen. Er valt geen hogere regelgeving aan te wijzen die zich verzet tegen de door de regelgever gemaakte keuze. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om het bedrag van de onderhavige sanctie vast te stellen op het bij de gedraging met feitcode R599a behorende sanctiebedrag, zoals door de gemachtigde is verzocht.
14. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen.
15. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.