ECLI:NL:GHARL:2021:4485

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
10 mei 2021
Publicatiedatum
10 mei 2021
Zaaknummer
Wahv 200.282.875/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 2a WahvTitel 4.4 Algemene wet bestuursrechtArtikel 2, derde lid, Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op rente over terugbetaalde administratieve sanctie bij verkeersboete

De betrokkene kreeg een administratieve sanctie opgelegd van €95 wegens het niet gebruiken van de rijbaan als bromfietser bij ontbreken van een fiets/bromfietspad. Deze sanctie werd betaald, maar later vernietigd door de advocaat-generaal, waardoor het hoger beroep feitelijk is geslaagd en het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard.

De gemachtigde van de betrokkene had meerdere proceshandelingen verricht, waarvoor het hof een proceskostenvergoeding van €1.201,50 toekende, rekening houdend met een matigingsbevoegdheid en een wegingsfactor vanwege de lichte aard van de zaak.

Het verzoek om wettelijke rente over het betaalde en later teruggestorte sanctiebedrag werd afgewezen. Het hof overwoog dat Titel 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is op administratieve sancties op grond van de Wahv, waardoor geen recht op rente bestaat.

Het arrest werd gewezen door mr. Wijma en uitgesproken tijdens een openbare zitting te Leeuwarden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om rentevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.282.875/01
CJIB-nummer
: 227076765
Uitspraak d.d.
: 10 mei 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 21 juli 2020, betreffende

[de betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is M.J.M. Bergers, kantoorhoudende te Maastricht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen.
Bij brief van 15 december 2020 heeft de advocaat-generaal het hof bericht dat de inleidende beschikking is vernietigd en dat de betrokkene en de gemachtigde daarover zijn geïnformeerd.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking van 22 juli 2019 een sanctie van
€ 95,- opgelegd voor de gedraging "het als bromfietser bij ontbreken fiets/bromfietspad niet de rijbaan gebruiken". Nu de advocaat-generaal heeft besloten deze beschikking te vernietigen, heeft de betrokkene bereikt wat met het hoger beroep werd beoogd. Daarom heeft de betrokkene geen belang meer bij een uitspraak op het hoger beroep, zodat dit niet-ontvankelijk wordt verklaard.
2. De vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Bpb) forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende voor vergoeding in aanmerking komende proceshandelingen verricht: het indienen van het administratief beroepschrift, hoorzitting (telefonisch) bij de officier van justitie, het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het via een telefonische verbinding bijwonen van de zitting van de kantonrechter en het indienen van het hoger beroepschrift.
3. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. Ook aan het telefonisch horen bij de officier van justitie en het via een telefonische verbinding bijwonen van de zitting van de kantonrechter dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanningen zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bpb het voor het horen door de officier van justitie toegekende hele punt halveren. De waarde per punt bedraagt € 534,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van in totaal € 1.201,50 (= 4½ x € 534,- x 0,5).
4. Het verzoek van de gemachtigde van de betrokkene om de wettelijke rente te vergoeden over het reeds lang door de betrokkene betaalde bedrag komt niet voor toewijzing in aanmerking. Het hof overweegt hiertoe als volgt.
5. Blijkens het zaakoverzicht van het CJIB van 28 februari 2020, dat zich in het dossier bevindt, is de administratieve sanctie bij beschikking van 22 juli 2019 opgelegd en heeft de betrokkene het bedrag van de administratieve sanctie (€ 95,-) en de administratiekosten
(€ 9,-) op 1 augustus 2019 voldaan. Op 2 september 2019 is namens de betrokkene via het Digitaal Loket Verkeer administratief beroep ingesteld.
7. In artikel 2a van de Wahv is, voor zover hier van belang, bepaald dat Titel 4.4. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing is op het opleggen en de inning van een administratieve sanctie en de administratiekosten op grond van deze wet.
8. Het hof is van oordeel dat Titel 4.4. van de Algemene wet bestuursrecht in casu niet van toepassing is, zodat er geen recht bestaat op vergoeding van wettelijke rente over het door de betrokkene op 1 augustus 2019 betaalde bedrag.

Beslissing

Het gerechtshof:
verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1.201,50, over te maken naar het rekeningnummer van Boete.nu te Maastricht, onder vermelding van Wahv 200.282.875.
wijst het verzoek om vergoeding van wettelijke rente over het door de betrokkene op
1 augustus 2019 betaalde bedrag ad € 104,- af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van Bons als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.