ECLI:NL:GHARL:2021:4583

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
11 mei 2021
Publicatiedatum
11 mei 2021
Zaaknummer
Wahv 200.262.419/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Sekeris
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:26 AwbArt. 62 RVV 1990Artikel 2 Wegenverkeerswet 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid boa tot handhaving geslotenverklaring in relatie tot openbare orde bevestigd

De betrokkene maakte bezwaar tegen een opgelegde sanctie wegens overtreding van een geslotenverklaring voor motorvoertuigen. De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond, maar het hof vernietigt deze beslissing omdat de motivering van de officier van justitie onvoldoende was, met name over het verweer omtrent de staandehouding.

De betrokkene voerde aan dat de boa niet bevoegd was tot handhaving omdat het verkeersbesluit betrekking had op verkeersveiligheid en niet op openbare orde. Het hof onderzocht de beleidsregels en verkeersbesluiten en oordeelde dat de geslotenverklaring mede was ingesteld om overlast en hinder te voorkomen, wat valt onder openbare orde.

Hierdoor was de boa bevoegd om handhavend op te treden. Het beroep tegen de sanctie wordt ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Het arrest bevestigt de reikwijdte van de bevoegdheid van boa’s bij handhaving van geslotenverklaringen in het kader van de openbare orde.

Uitkomst: Het beroep tegen de sanctie wordt ongegrond verklaard en de bevoegdheid van de boa tot handhaving bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.262.419/01
CJIB-nummer
: 214182777
Uitspraak d.d.
: 11 mei 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 15 mei 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. De gemachtigde stelt zich allereerst op het standpunt dat de beslissing van de officier van justitie niet deugdelijk is gemotiveerd, nu daaruit niet blijkt dat het verweer aangaande de (uitgebleven) staandehouding is beoordeeld.
2. In artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de beslissing op het beroep dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld.
3. Het hof stelt vast dat de gemachtigde in administratief beroep uitvoerig en gemotiveerd heeft betoogd dat en om welke redenen een staandehouding had moeten plaatsvinden. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard, maar heeft voormeld verweer in het geheel onbesproken gelaten. Hoewel de officier van justitie niet gehouden is om expliciet op ieder argument van een betrokkene in te gaan, moet de betrokkene wel in grote lijnen uit de beslissing kunnen opmaken waarom de aangevoerde bezwaren geen doel treffen (vgl. Kamerstukken II 1988/89, 21221, nr. 3 (MvT) p. 154, 157). Dat is hier niet het geval. De motivering voldoet daarmee niet aan de eis van artikel 7:26, eerste lid, van de Awb. Door de beslissing in stand te laten, heeft de kantonrechter dit miskend. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom vernietigen net als - met gegrondverklaring van het beroep daartegen - de beslissing van de officier van justitie.
4. Thans staat ter beoordeling van het hof hetgeen is aangevoerd tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene als kentekenhouder een sanctie is opgelegd van € 95,- voor: “handelen in strijd met een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen: bord C12/20”. Deze gedraging zou zijn verricht op 24 januari 2018 om 10:14 uur op de Vredebest in Gouda met het voertuig met het kenteken [00-YYY-0] .
5. De gemachtigde voert aan dat de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) op grond van de Beleidsregels Buitengewoon Opsporingsambtenaar (Beleidsregels boa) slechts bevoegd is tot handhaven als de openbare orde ten grondslag ligt aan het verkeersbesluit waarbij de geslotenverklaring is ingesteld. Het verkeersbesluit dat zich tussen de stukken van het dossier bevindt, ziet op het plaatsen van borden C2 en C3 en niet op de plaatsing van het in de onderhavige zaak van toepassing zijnde bord C12. Bovendien blijkt uit dit besluit dat het bord is ingesteld om de veiligheid op de weg te verzekeren, hetgeen betekent dat niet de openbare orde, maar de verkeersveiligheid ten grondslag ligt aan het verkeersbesluit. Dit betekent dat de ambtenaar in de onderhavige zaak niet bevoegd was tot handhaving.
6. Aan de betrokkene is een sanctie opgelegd voor overtreding van artikel 62 van Pro het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990) in samenhang met het bord C12 van dat reglement. Uit het zaakoverzicht blijkt dat de sanctie is opgelegd door ambtenaar [B] , boa in het domein Openbare Ruimte.
7. Volgens het Besluit van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 14 juli 2016 nr. BOACAT2016/047, strekkende tot aanwijzing van buitengewoon opsporingsambtenaren bij de gemeente Gouda, zijn boa’s bevoegd tot het opsporen van strafbare feiten behorend tot het domein I, Openbare Ruimte, als genoemd in onderdeel 6.4 van de Beleidsregels boa.
8. Artikel 6.4, onder 16, van de ten tijde van de gedraging geldende Beleidsregels boa houdt in dat de boa Openbare Ruimte bevoegd is tot handhaving ter zake van:
Artikel 5 Wegenverkeerswet Pro 1994 en het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, maar alleen voor zover het stilstaand verkeer betreft. De artikel 4, 5, 6, 10, 60, 82 en 62 juncto bijlage I hoofdstuk C (geslotenverklaring) van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 voor zover van toepassing ook voor rijdend verkeer. Op 12 april 2011 is door het College van procureurs-generaal (brief met kenmerk Pag/B&S/15674) nadere invulling gegeven in het kader van gemeentelijke handhaving van de WVW. Handhaving op negatie van C borden (RVV 1990) is in relatie tot de openbare orde toegestaan. In bijlage L is het toepasselijke kader voor de gemeente opgenomen indien zij digitaal wil handhaven op categorie C borden.”
9. In de hiervoor genoemde brief van 12 april 2011 is het volgende vermeld:
“Het criterium openbare orde dient echter zo te worden verstaan, aldus het College, dat daaronder tevens valt het tegengaan van overlast, bijvoorbeeld door sluipverkeer, en het verbeteren van de leefbaarheid, bijvoorbeeld door bepaalde gebieden af te sluiten voor (vracht)auto’s, de zogenaamde milieuzones” (vgl. het arrest van het hof van 14 juni 2018, gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2018:5537).
10. Gelet op het voorgaande is de bevoegdheid van de boa om te handhaven op gedragingen als in dit geval begrensd tot situaties die gerelateerd kunnen worden aan de openbare orde, bedoeld in de Beleidsregels boa en nader ingevuld door het College van procureurs-generaal.
11. Het hof stelt vast dat zich in het dossier een verkeersbesluit van 5 juni 2008 bevindt. In dit verkeersbesluit valt te lezen dat op de locatie van de gedraging bij verkeersbesluit van 9 mei 1972 een geslotenverklaring is ingesteld, dat al enkele jaren door middel van een onderbord een uitzondering van toepassing is voor vrachtwagens, lijnbussen en taxi’s, maar dat de op dat onderbord aangegeven uitzondering abusievelijk niet is geformaliseerd door een verkeersbesluit, hetgeen bij verkeersbesluit van 5 juni 2008 alsnog is geschied. In dit verkeersbesluit valt verder te lezen dat dit besluit is genomen in verband met de in artikel 2 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 genoemde belangen, te weten het verzekeren van de veiligheid op de weg en het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast en hinder. Gelet op hetgeen onder 9. is overwogen, is dit verkeersbesluit aldus ingesteld in het kader van de openbare orde. De stukken van het dossier bevatten daarnaast een verkeersbesluit van 10 mei 2011. In dit besluit valt - onder meer - te lezen dat het oude C2 bord met onderborden ter verduidelijking van de verkeerssituatie wordt vervangen door een bord C12, omdat er geen bezwaar bestaat dat fietsers de weg in beide richtingen gebruiken.
12. Het hof is van oordeel dat uit voormelde verkeersbesluiten – in onderlinge samenhang gelezen – volgt dat de ter plaatse geldende geslotenverklaring mede is ingesteld in relatie tot de openbare orde als hiervoor bedoeld. De ambtenaar was dan ook bevoegd in het onderhavige geval een sanctie op te leggen en het verweer van de gemachtigde faalt. Het beroep tegen de inleidende beschikking zal ongegrond worden verklaard.
13. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.