In deze civiele procedure stond de vraag centraal of de echtgenote van appellant bekend was met de effectenleaseovereenkomsten I en II, gesloten in december 1999. Het hof oordeelde dat appellant het vermoeden van bekendheid heeft ontzenuwd door te stellen dat zijn echtgenote niet op de hoogte was van de overeenkomsten en dat hij het financieel beheer voerde. Dexia kon geen tegenbewijs leveren.
Hierdoor werd vastgesteld dat de verjaringstermijn voor vernietiging pas na 13 maart 2000 is aangevangen en dat de vernietiging door de echtgenote in oktober 2005 rechtsgeldig was. Dexia werd veroordeeld tot terugbetaling van alle betaalde bedragen, verminderd met reeds ontvangen betalingen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 8 november 2005.
De vorderingen van appellant tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten werden afgewezen, evenals de incidentele vorderingen van Dexia met betrekking tot andere effectenleaseovereenkomsten en restschuld. Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter en wees de vorderingen van appellant toe, terwijl de vorderingen van Dexia werden afgewezen.
Tot slot werd Dexia veroordeeld in de kosten van beide instanties en in het hoger beroep, met toewijzing van wettelijke rente over de proceskosten in het incidenteel hoger beroep. Het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.