AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet tijdig zekerheid stellen bij Wahv-sanctie
De betrokkene stelde beroep in tegen een beslissing van de officier van justitie onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De kantonrechter verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de betrokkene niet tijdig zekerheid had gesteld. De betrokkene had een betalingsregeling met het CJIB getroffen, maar dit leidde niet tot het voldoen aan de zekerheidstelling.
De gemachtigde voerde aan dat de betrokkene mocht vertrouwen op betaling in termijnen en stelde dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden omdat in een andere zaak met een betalingsregeling wel aan de zekerheidstelling was voldaan. Het hof oordeelde dat het draagkrachtverweer tijdig was gevoerd, maar onvoldoende was onderbouwd, waardoor de kantonrechter het verwierp en de betrokkene een termijn gaf voor volledige betaling.
Het hof stelde vast dat de zekerheid pas na de gestelde termijn was voldaan en dat de betrokkene er niet op mocht vertrouwen dat betaling in termijnen volstond. Het gelijkheidsbeginsel was niet geschonden omdat de andere zaak niet vergelijkbaar was. Het beroep werd terecht niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig stellen van zekerheid, en het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.258.337/01
CJIB-nummer
: 201360580
Uitspraak d.d.
: 19 mei 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 4 maart 2019, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. R.A. Goemmatov, kantoorhoudende te 's-Gravenhage.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Hierbij is verzocht om vergoeding van proceskosten.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling1.De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat - anders dan de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag heeft geoordeeld - de betrokkene van mening is dat het beroep niet door een onafhankelijke en onpartijdige rechter is behandeld, omdat de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie voorafgaand aan de behandeling van het beroep al in de zittingszaal aanwezig was, zodat er gelegenheid is geweest tot vooroverleg.
2. Voor zover de gemachtigde betoogt dat de behandeling van het beroep op de zitting van 27 november 2018 niet door een onafhankelijke en onpartijdige rechter is behandeld, kan op dit bezwaar niet worden ingegaan, nu de wrakingskamer van de rechtbank het door de betrokkene ingediende wrakingsverzoek reeds heeft afgewezen en tegen die beslissing gelet op artikel 12a van de Wahv jo. artikel 515, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering geen rechtsmiddel open staat.
3. Voor zover de gemachtigde betoogt dat de kantonrechter die de behandeling van het beroep - na de afwijzing van het wrakingsverzoek - op de zitting van 18 februari 2019 heeft voortgezet niet onafhankelijk en onpartijdig was, kan op dit bezwaar niet worden ingegaan, nu bij het achterwege laten van een wrakingsverzoek in hoger beroep - afgezien van uitzonderlijke situaties, waarvan hier niet is gebleken - niet meer kan worden geklaagd over vermeende partijdigheid van de kantonrechter.
4. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard, omdat niet tijdig zekerheid is gesteld.
5. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene in de onderhavige zaak een betalingsregeling met het CJIB had getroffen. Aldus mocht hij erop vertrouwen dat hij ook de zekerheid (conform de afspraak met het CJIB) in delen mocht betalen. Voorts stelt de gemachtigde dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. In een zaak van een andere betrokkene, die gelijktijdig met de onderhavige zaak ter zitting door de kantonrechter is behandeld en waarin eveneens een betalingsregeling met het CJIB was getroffen, heeft de kantonrechter namelijk wel geoordeeld dat door het treffen van een betalingsregeling aan de verplichting tot zekerheidstelling is voldaan. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde de beslissing van de kantonrechter in die zaak overgelegd.
6. Artikel 6 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) waarborgt het recht op toegang tot een onafhankelijke rechter. Uitgangspunt is dat de verplichting om zekerheid te stellen de toegang tot de rechter niet belemmert. Dat is anders wanneer de betrokkene financieel niet in staat is (volledig) zekerheid te stellen.
7. Wordt tijdig een draagkrachtverweer gevoerd, dan behoort de kantonrechter de betrokkene uit te nodigen voor een openbare zitting. Oordeelt de kantonrechter vervolgens dat de betrokkene inderdaad onvoldoende draagkrachtig is, dan vermindert hij de zekerheidstelling tot een bedrag dat voor de betrokkene wel is op te brengen en geeft hij een nieuwe termijn voor betaling van dat bedrag of verlaagt hij het bedrag tot nihil en behandelt de zaak inhoudelijk. Oordeelt de kantonrechter dat het draagkrachtverweer ongegrond is, dan geeft hij de betrokkene een nieuwe termijn voor betaling van het volledige bedrag.
8. Het hof stelt vast dat tijdig een draagkrachtverweer is gevoerd. Op de zitting van 19 maart 2018 heeft de kantonrechter de betrokkene gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. De betrokkene, die zonder gemachtigde ter zitting was verschenen, heeft toen één en ander naar voren gebracht omtrent zijn financiële situatie, waaronder dat hij een betalingsregeling had getroffen. Desgevraagd heeft hij verklaard dit niet nader feitelijk te willen onderbouwen door het overleggen van stukken, omdat het zo duidelijk genoeg was. Vervolgens heeft de kantonrechter het draagkrachtverweer verworpen, omdat het onvoldoende was onderbouwd en heeft hij de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na verzending van de tussenbeslissing alsnog het volledige bedrag aan zekerheid te betalen. Blijkens een zich in het dossier bevindende brief is de tussenbeslissing op 10 april 2018 verzonden. De laatste dag waarop tijdig zekerheid kon worden gesteld was dus 24 april 2018.
9. Naar aanleiding van de uitnodiging voor de zitting van de kantonrechter van 27 november 2018 heeft de gemachtigde bij brief van 28 november 2018 aangevoerd dat de betrokkene met het CJIB een betalingsregeling heeft getroffen en aldus aan zijn verplichting tot het stellen van zekerheid heeft voldaan. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde een brief van het CJIB 29 maart 2017 overgelegd, waarin staat dat met de betrokkene een betalingsregeling is getroffen voor een serie zaken, waaronder de onderhavige, bestaande uit 30 maandelijkse termijnen van € 64,78.
10. Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verschuldigde bedrag aan zekerheid niet binnen de gestelde termijn is betaald en het treffen van een betalingsregeling niet leidt tot de vaststelling dat zekerheid is gesteld.
11. Daarnaast voert de gemachtigde aan dat de betrokkene een van zijn vrienden op 22 april 2018 het volledige bedrag aan zekerheid heeft laten overmaken aan het CJIB onder vermelding van het 9-cijferige CJIB-nummer. Dit bedrag is door het CJIB weer teruggestort. Na een telefonisch gesprek heeft het CJIB geadviseerd alle 16 cijfers van het CJIB-nummer bij de overboeking te vermelden. De zekerheidstelling is toen vervolgens nogmaals voldaan onder vermelding van het
16-cijferige CJIB-nummer. De gemachtigde stelt dat als er in de tussenbeslissing van de kantonrechter dit 16-cijferige nummer had gestaan, het bedrag aan zekerheid niet te laat bij het CJIB zou zijn binnen gekomen.
12. Uit navraag bij het CJIB blijkt dat het volledige bedrag aan zekerheid is voldaan op 3 mei 2018. Uit de gegevens bij het CJIB blijkt niet dat er eerder een bedrag is overgemaakt dat door het CJIB is teruggestort. De gemachtigde heeft dit verder ook niet onderbouwd aan de hand van stukken. Het hof gaat daarom ervan uit dat het bedrag van de zekerheidstelling op 3 mei 2018 is voldaan. Er is derhalve niet tijdig zekerheid gesteld.
13. Anders dan de gemachtigde is het hof van oordeel dat de betrokkene er niet op mocht vertrouwen dat hij, nu hij een betalingsregeling met het CJIB had getroffen, ook de zekerheid in delen mocht betalen. Tijdens de zitting van 19 maart 2018 is de betrokkene in de gelegenheid gesteld om zijn financiële situatie met stukken te onderbouwen, hetgeen hij niet heeft willen doen. Vervolgens heeft de kantonrechter het draagkrachtverweer verworpen en de betrokkene een termijn gegeven voor betaling van het volledige bedrag aan zekerheid. Aldus had het de betrokkene duidelijk moeten zijn dat hij het volledige bedrag aan zekerheid moest betalen. De gevolgen van de omstandigheid dat hij ten onrechte ervan uitging dat hij de zekerheid in delen mocht betalen komt dan ook voor zijn risico.
14. Van schending van het gelijkheidsbeginsel is geen sprake. Anders dan de gemachtigde stelt heeft de kantonrechter in de zaak van een andere betrokkene niet geoordeeld dat door het treffen van een betalingsregeling aan de verplichting tot zekerheidstelling is voldaan, maar heeft hij in reactie op het gevoerde draagkrachtverweer geoordeeld dat aanleiding bestaat om het bedrag van de door die betrokkene te stellen zekerheid te verlagen. In de onderhavige zaak heeft de kantonrechter het draagkrachtverweer echter verworpen, omdat de betrokkene zijn financiële situatie niet nader heeft willen onderbouwen, zodat reeds om die reden geen sprake is van gelijke gevallen.
15. Nu de betrokkene niet binnen de gestelde termijn zekerheid heeft gesteld en niet is gebleken dat dit de betrokkene niet kan worden toegerekend, heeft de kantonrechter het beroep terecht niet-ontvankelijk verklaard. De beslissing van de kantonrechter zal dan ook worden bevestigd.
16. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).
De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Veenstra als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.