Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
De beslissing van de kantonrechter
Het verloop van de procedure
De beoordeling1.De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat - anders dan de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag heeft geoordeeld - de betrokkene van mening is dat het beroep niet door een onafhankelijke en onpartijdige rechter is behandeld, omdat de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie voorafgaand aan de behandeling van het beroep al in de zittingszaal aanwezig was, zodat er gelegenheid is geweest tot vooroverleg.
27 november 2018 niet door een onafhankelijke en onpartijdige rechter is behandeld, kan op dit bezwaar niet worden ingegaan, nu de wrakingskamer van de rechtbank het door de betrokkene ingediende wrakingsverzoek reeds heeft afgewezen en tegen die beslissing gelet op artikel 12a van de Wahv jo. artikel 515, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering geen rechtsmiddel open staat.
Wordt tijdig een draagkrachtverweer gevoerd, dan behoort de kantonrechter de betrokkene uit te nodigen voor een openbare zitting. Oordeelt de kantonrechter vervolgens dat de betrokkene inderdaad onvoldoende draagkrachtig is, dan vermindert hij de zekerheidstelling tot een bedrag dat voor de betrokkene wel is op te brengen en geeft hij een nieuwe termijn voor betaling van dat bedrag of verlaagt hij het bedrag tot nihil en behandelt de zaak inhoudelijk. Oordeelt de kantonrechter dat het draagkrachtverweer ongegrond is, dan geeft hij de betrokkene een nieuwe termijn voor betaling van het volledige bedrag.
19 maart 2018 heeft de kantonrechter de betrokkene gehoord omtrent zijn financiële draagkracht. De betrokkene, die zonder gemachtigde ter zitting was verschenen, heeft toen één en ander naar voren gebracht omtrent zijn financiële situatie, waaronder dat hij een betalingsregeling had getroffen. Desgevraagd heeft hij verklaard dit niet nader feitelijk te willen onderbouwen door het overleggen van stukken, omdat het zo duidelijk genoeg was. Vervolgens heeft de kantonrechter het draagkrachtverweer verworpen, omdat het onvoldoende was onderbouwd en heeft hij de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na verzending van de tussenbeslissing alsnog het volledige bedrag aan zekerheid te betalen. Blijkens een zich in het dossier bevindende brief is de tussenbeslissing op 10 april 2018 verzonden. De laatste dag waarop tijdig zekerheid kon worden gesteld was dus 24 april 2018.
27 november 2018 heeft de gemachtigde bij brief van 28 november 2018 aangevoerd dat de betrokkene met het CJIB een betalingsregeling heeft getroffen en aldus aan zijn verplichting tot het stellen van zekerheid heeft voldaan. Ter onderbouwing heeft de gemachtigde een brief van het CJIB 29 maart 2017 overgelegd, waarin staat dat met de betrokkene een betalingsregeling is getroffen voor een serie zaken, waaronder de onderhavige, bestaande uit 30 maandelijkse termijnen van € 64,78.
Bij de bestreden beslissing heeft de kantonrechter het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verschuldigde bedrag aan zekerheid niet binnen de gestelde termijn is betaald en het treffen van een betalingsregeling niet leidt tot de vaststelling dat zekerheid is gesteld.
3 mei 2018. Uit de gegevens bij het CJIB blijkt niet dat er eerder een bedrag is overgemaakt dat door het CJIB is teruggestort. De gemachtigde heeft dit verder ook niet onderbouwd aan de hand van stukken. Het hof gaat daarom ervan uit dat het bedrag van de zekerheidstelling op 3 mei 2018 is voldaan. Er is derhalve niet tijdig zekerheid gesteld.