Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verweerster in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn in 2019 gehuwd en hebben in 2020 de echtscheiding aangevraagd, waarbij de beperkte gemeenschap van goederen werd ontbonden. De rechtbank had de verdeling van de gemeenschap en vergoedingsrechten vastgesteld, maar partijen waren het niet eens over de inboedel, auto's en kostenverdeling.
De man stelde dat de vrouw niet-ontvankelijk was en dat bepaalde goederen privébezit waren, terwijl de vrouw stelde dat zij recht had op vergoeding van door haar betaalde zaken. Het hof oordeelde dat onvoldoende inzicht was gegeven in de gezamenlijke goederen en dat geen bewijs was geleverd dat uitgaven met privévermogen waren gedaan. Daarom werd de verdeling van de inboedel aangepast, waarbij de man de vrouw de helft van 75% van de aankoopprijs van de door haar betaalde zaken moet vergoeden.
Verder vernietigde het hof het oordeel over een Peugeot 206 en bepaalde dat de verdeling van de Volkswagen Polo en Mercedes werd bekrachtigd zoals door de rechtbank vastgesteld. Verzoeken over schulden en kosten van de huishouding werden afgewezen vanwege gebrek aan bewijs en onderbouwing. De beschikking is deels vernietigd en deels bekrachtigd, met een nieuwe regeling voor de inboedelvergoeding.
Uitkomst: Het hof vernietigt deels de beschikking van de rechtbank en stelt een nieuwe verdeling van de inboedel vast, bekrachtigt de rest van de beschikking en wijst overige verzoeken af.