Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele procedure stond de vraag centraal of appellant, huurder van een kamer met medegebruik van keuken en sanitaire voorzieningen, nog een bedrag aan huurachterstand verschuldigd was aan geïntimeerde, de verhuurder. Appellant had de huurbetalingen vanaf juni 2018 geheel opgeschort vanwege gebreken aan de woning, waaronder een verrotte uitbouw en een defecte koelkast.
De kantonrechter had de huurachterstand vastgesteld op € 5.245,- en de ontruiming toegewezen. Appellant stelde in hoger beroep dat de huurprijs vanwege de gebreken op nihil moest worden gesteld en dat hij recht had op een schadevergoeding. Het hof oordeelde dat de uitbouw en schuur niet tot het gehuurde behoorden en dat de gebreken daaraan geen huurkorting rechtvaardigden. Wel was de kamer en medegebruik gebrekkig, met name door een defecte koelkast en andere tekortkomingen, zodat de huurprijs vanaf juni 2018 werd vastgesteld op € 175,- per maand, de helft van de overeengekomen huur.
Het hof verwierp het bewijs van contante betaling van twee maanden huur in 2017 door appellant. De huurachterstand werd opnieuw vastgesteld op € 3.600,-, bestaande uit achterstallige huur tot 1 juni 2018 en huur over de periode tot ontruiming tegen de verlaagde huurprijs. De vordering tot schadevergoeding werd niet toegewezen omdat daartegen geen grief was gericht. Het hof compenseerde de proceskosten, zodat partijen ieder hun eigen kosten dragen.
Het arrest vernietigt het vonnis van de kantonrechter voor zover het een hogere huurachterstand toewijst dan het hof heeft vastgesteld, bekrachtigt het vonnis voor de ontbinding en ontruiming, en verklaart het arrest uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het hof stelt de huurachterstand vast op € 3.600,- en wijst de huurkorting toe, vernietigt het vonnis deels en bekrachtigt de ontbinding en ontruiming.