Art. 3, tweede lid, WahvArt. 6, eerste lid, WahvArt. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 Awb
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging bestuurlijke sanctie milieuzone wegens onvoldoende bewijs en ontvankelijkheid beroep
De betrokkene werd een bestuurlijke sanctie van €90 opgelegd wegens het rijden in een milieuzone met een dieselvoertuig dat volgens het bord C6 niet was toegestaan. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene niet-ontvankelijk wegens het niet tijdig stellen van zekerheid. Het hof oordeelt dat de betaling tijdig is gedaan, maar door een foutief betalingskenmerk verkeerd is verwerkt. Het CJIB had de betaling echter moeten koppelen aan de zaak.
Daarnaast stelt het hof vast dat het bewijs van de overtreding onvoldoende is, omdat de digitale foto waarop de overtreding is vastgelegd ontbreekt en onduidelijk is welke voertuigen de milieuzone niet mochten betreden vanwege ontbrekende informatie over het onderbord bij het C6-bord. Hierdoor kan niet worden vastgesteld dat de betrokkene de overtreding heeft begaan.
Het hof vernietigt daarom de beslissing van de kantonrechter en de opgelegde sanctie, verklaart het beroep gegrond en bepaalt dat de gestelde zekerheid wordt gerestitueerd. De zaak wordt niet terugverwezen maar door het hof zelf afgedaan.
Uitkomst: Het hof vernietigt de opgelegde bestuurlijke sanctie en verklaart het beroep van de betrokkene gegrond wegens onvoldoende bewijs en ontvankelijkheid.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.257.887/01
CJIB-nummer
: 204593648
Uitspraak d.d.
: 27 mei 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 26 februari 2019, betreffende
[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),
wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. S. Benali, kantoorhoudende te Rotterdam.
De beslissing van de kantonrechter
Het hof heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Daarna heeft de kantonrechter het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie wederom niet-ontvankelijk verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De beoordeling
1. De kantonrechter heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat niet (tijdig) zekerheid is gesteld.
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat tijdig zekerheid is gesteld en verwijst daarbij naar het door hem bijgevoegde betaalafschrift. De betrokkene heeft een aantal cijfers van het betalingskenmerk omgedraaid, maar de betaling is wel op tijd gedaan en moet ook tijdig zijn ontvangen. De betaling had aan de onderhavige zaak gekoppeld kunnen worden aan de hand van de tenaamstelling van de bankrekening.
3. Het hof stelt vast dat de kantonrechter bij tussenbeslissing van 23 januari 2019 het draagkrachtverweer van de betrokkene heeft verworpen en de betrokkene in de gelegenheid heeft gesteld alsnog zekerheid te stellen door binnen vier weken na verzending van deze beslissing een bedrag van € 99,- over te maken op rekeningnummer [nummer] onder vermelding van het CJIB-nummer. De tussenbeslissing is op 25 januari 2019 verzonden naar de gemachtigde.
4. Uit het door de gemachtigde overgelegde bankafschrift blijkt dat de betrokkene op
20 februari 2019 een bedrag van € 99,- heeft overgemaakt op het hiervoor genoemde rekeningnummer. Hierbij is als kenmerk vermeld ‘ [kenmerk] ’. Het hof stelt vast dat de betrokkene een onjuist betalingskenmerk heeft genoemd. De advocaat-generaal heeft aangegeven dat uit navraag bij het CJIB is gebleken dat de betaling is verrekend met een andere openstaande vordering bij het CJIB.
5. Voor beantwoording van de vraag of tijdig is betaald is bepalend of het bedrag binnen de gestelde betalingstermijn is ontvangen door het daartoe bestemde orgaan. Het CJIB heeft de mogelijkheid om, in het geval niet duidelijk is waarop de ontvangen betaling betrekking heeft, deze te verrekenen met een openstaand bedrag in een (andere) zaak van de betrokkene of om deze betaling terug te storten, maar daarvoor is wel vereist dat het CJIB eerst heeft geprobeerd om na te gaan waar deze betaling betrekking op heeft.
6. Uit het dossier blijkt dat de betrokkene voor 22 februari 2019 zekerheid diende te stellen voor een bedrag van € 99,-. De betrokkene heeft het juiste bedrag op 20 februari 2019 overgemaakt op het rekeningnummer van het CJIB. Het hof gaat ervan uit dat het CJIB dit bedrag tijdig heeft ontvangen.
Gelet hierop en nu de betrokkene bovendien het kenmerk van het beroep bij de kantonrechter vermeldt en het vermelde CJIB-nummer slechts 2 cijfers verschilt van het onderhavige CJIB-nummer, is het hof van oordeel dat het CJIB had kunnen nagaan dat de betaling op de onderhavige zaak betrekking had.
7. Gelet op het voorgaande kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat de betrokkene in verzuim is geweest. De kantonrechter heeft het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook vernietigen. Nu de gemachtigde het hof heeft verzocht zelf in de zaak te voorzien, zal het hof de zaak niet terugwijzen naar de kantonrechter, maar het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie zelf behandelen.
8. De officier van justitie heeft het beroep tegen de inleidende beschikking niet-ontvankelijk verklaard, omdat het te laat is ingesteld.
9. Tegen de inleidende beschikking kan binnen zes weken beroep worden ingesteld. Dat volgt uit artikel 6, eerste lid, van de Wahv en de artikelen 3:41, 6:7 en 6:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De termijn voor het instellen van beroep begint op de dag die volgt op de dag waarop de beschikking aan de betrokkene is toegestuurd. Uit artikel 6:9 vanPro de Awb volgt dat een beroepschrift dat binnen een week na het aflopen van de beroepstermijn per post binnenkomt nog op tijd is, zolang het beroepschrift maar voor het einde van de termijn op de post is gedaan.
10. De inleidende beschikking is op 2 februari 2017 aan de betrokkene toegestuurd. De beroepstermijn eindigde dus op 16 maart 2017. Het beroepschrift is gedateerd 16 maart 2017. Uit een stempel blijkt dat het op 17 maart 2017 door de officier van justitie is ontvangen. Het poststempel is gedateerd 16 maart 2017. Het beroep is dan ook tijdig ingesteld. De officier van justitie heeft het administratief beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het hof zal het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie daarom gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. Het hof zal vervolgens het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.
11. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 90,- voor: “handelen in strijd met een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op meer dan twee wielen, bord C6 bijlage I RVV 1990 (milieuzone)”. Deze gedraging zou zijn verricht op
12 januari 2017 om 12:33 uur op het Marconiplein in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
12. De gemachtigde voert aan dat niet kan worden vastgesteld dat de betrokkene de gedraging heeft begaan. De betrokkene was niet op de hoogte van het feit dat hij met zijn dieselvoertuig met bouwjaar/DET 2000 niet de milieuzone in mocht rijden. Dit was niet duidelijk aangegeven bij het C6 bord. Met de verklaring van de ambtenaar is dit ook niet vast te stellen, zodat aan deze verklaring niet de betekenis kan worden toegekend dat de betrokkene de gedraging heeft verricht.
13. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
14. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Bord geslotenverklaring C6. De overtreding is geautomatiseerd geconstateerd en op een digitale foto vastgelegd door een camera die op enkele meters na bord C6 is geplaatst. De borden C6 zijn voorzien van het woord ‘zone’ en hebben derhalve zonale werking. Onder het bord of bij het bord (of borden).”
15. Uit het dossier blijkt dat de gedraging is vastgelegd op een digitale foto. Deze foto bevindt zich echter niet in het dossier. Verder suggereert het zaakoverzicht dat er, zoals gebruikelijk in milieuzones, een onderbord was. Uit het dossier blijkt niet welke tekst op het onderbord was geplaatst en dus niet welke voertuigen de milieuzone niet in mochten rijden. Nu de betrokkene aanvoert dat bij het bord C6 niet duidelijk was aangegeven dat zijn voertuig, een diesel met bouwjaar/DET 2000, niet de milieuzone in mocht rijden, kan niet worden vastgesteld dat de gedraging is verricht. De inleidende beschikking kan daarom niet in stand blijven. Dit leidt tot de hierna volgende beslissing.
16. Met betrekking tot de proceskosten verwijst het hof naar zijn arrest van heden in de samenhangende zaak met registratienummer Wahv 200.257.891.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
vernietigt de beschikking waarbij onder voormeld CJIB-nummer de administratieve sanctie is opgelegd;
bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 vanPro de Wahv tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal wordt gerestitueerd.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.