ECLI:NL:GHARL:2021:5254

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
31 mei 2021
Publicatiedatum
31 mei 2021
Zaaknummer
Wahv 200.268.630
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 125 APV gemeente TilburgArt. 3, tweede lid Wahv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ongegrondverklaring beroep parkeren op groenstrook in Tilburg

De betrokkene kreeg een boete van €95 opgelegd voor het parkeren van zijn voertuig op 21 september 2018 op een terrein aan de Sportweg in Tilburg dat volgens de gemeente een groenstrook betreft. De betrokkene voerde aan dat het terrein geen groenstrook was, maar een onverharde strook zonder onderhoud en met regelmatig geparkeerde auto's.

De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene ongegrond. Tegen deze beslissing stelde de betrokkene hoger beroep in. Het hof onderzocht de aard van het terrein aan de hand van foto’s, het proces-verbaal van de ambtenaar en de argumenten van partijen.

Het hof oordeelde dat het terrein, gezien de grootte, de aanwezige beplanting en het onderhoud, wel degelijk als groenstrook moet worden aangemerkt. Het ontbreken van een fysieke afscheiding met de rijbaan en het feit dat er ook andere voertuigen parkeren, doet hieraan niet af. De betrokkene heeft daardoor gehandeld in strijd met artikel 125 van Pro de APV van Tilburg.

Het hof bevestigde daarom de beslissing van de kantonrechter en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gewezen door mr. Wijma en uitgesproken op een openbare zitting.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van €95 blijft gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.268.630/01
CJIB-nummer
: 220463803
Uitspraak d.d.
: 31 mei 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant van 24 september 2019, betreffende

[de betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [A] .
De gemachtigde van de betrokkene is I.N.D.J. Rissema LLB., kantoorhoudende te Dordrecht.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “voertuig laten staan in park, plantsoen, openbare beplantingen of groenstroken”. Deze gedraging zou zijn verricht op 21 september 2018 om 14:20 uur op de Sportweg in Tilburg met het voertuig met het kenteken [00-YY-YY] .
2. De gemachtigde van de betrokkene voert aan dat in administratief beroep door de betrokkene uitvoerig is beargumenteerd waarom het betreffende terrein zich niet laat kwalificeren als een groenstrook. De enkele constatering van de officier van justitie dat sprake blijkt te zijn van een groenstrook, maakt voor de betrokkene niet inzichtelijk waarom zijn argumenten geen doel treffen. Uit de verklaring van de ambtenaar blijkt, anders dan de kantonrechter veronderstelt, niet waarom er is sprake van een groenstrook. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een groenstrook, omdat het terrein niet wordt onderhouden, hierop geen beplanting van enig betekenis is aangebracht, er regelmatig auto’s parkeren en het terrein zonder enige rand of afscheiding met de weg verbonden is.
3. De gemachtigde heeft bij de officier van justitie aangevoerd dat geen sprake is van een groenstrook, maar van een betekenisloos stuk onverharde grond. De officier van justitie heeft dit bezwaar genoemd in de beslissing op het administratief beroep en vervolgens overwogen dat ter plaatse sprake blijkt te zijn van een groenstrook, dat hierbij een afweging is gemaakt tussen de argumenten van de gemachtigde en de verklaring van de ambtenaar en dat doorslaggevende betekenis wordt toegekend aan de verklaring van de ambtenaar. Naar het oordeel van het hof blijkt hieruit voldoende dat de officier van justitie de bezwaren van de gemachtigde heeft meegenomen in de beoordeling en waarom deze geen doel treffen. Het hof acht hierbij van belang dat de officier van justitie bij de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd informatie heeft ingewonnen en dat de ontvangen informatie deel uitmaakte van het dossier dat ten grondslag lag aan de beslissing van de officier van justitie. De motivering van die beslissing moet worden bezien tegen de achtergrond van de beschikbare informatie. Het is voorts vaste rechtspraak van het hof dat de officier van justitie niet is gehouden op ieder argument dat ter onderbouwing van een beroepsgrond naar voren wordt gebracht expliciet en uitgebreid in te gaan. Van een motiveringsgebrek is geen sprake.
4. De onderhavige gedraging is een overtreding van artikel 125 van Pro de APV van de gemeente Tilburg dat luidt:
“1. Het is verboden met een voertuig, fiets of bromfiets te rijden door dan wel deze te doen of laten staan in een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook.
2. Het is het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing:
a. op wegen, zoals bedoeld in artikel 116 onder Pro a.
5. Er is geen wettelijke definitie van de begrippen park, plantsoen, openbare beplanting of groenstrook. In een berm mag in principe worden geparkeerd, terwijl dat in een groenstrook doorgaans niet is toegestaan. Bij de bepaling of iets al dan niet als berm of groenstrook kan worden aangemerkt, is doorslaggevend hoe het terrein zich aan de gemiddelde weggebruiker voordoet.
6. Een daartoe aangewezen ambtenaar kan op grond van artikel 3, tweede lid, van de Wahv een administratieve sanctie opleggen voor een gedraging die door deze ambtenaar zelf of op geautomatiseerde wijze is vastgesteld. Dat de gedraging is verricht, moet voldoende blijken uit de beschikbare gegevens. Of van de juistheid van deze gegevens kan worden uitgegaan, is ervan afhankelijk of de betrokkene argumenten heeft aangevoerd die leiden tot twijfel aan de juistheid van (delen van) die gegevens dan wel het dossier daar aanleiding toe geeft.
7. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld. Het dossier bevat verder een aanvullend proces-verbaal van 8 december 2018. Hierin verklaart de ambtenaar – voor zover van belang – het volgende:
“Op vrijdag 21 september 2018, omstreeks 14:20 uur, zag ik een voertuig met kenteken [00-YY-YY] , merk Opel, type Zafira, kleur zwart, geparkeerd staan in de Sportweg te Tilburg. Ik zag dat het voertuig geparkeerd stond tussen de bomen in het gras met daarop vallende bladeren van de bomen. Er bestaan geen verkeersborden voor het parkeren in de groenstrook, park of plantsoen. Het is aan de bestuurder van een voertuig om zich te vergewissen waar deze zich bevindt door ook de omgeving in ogenschouw te nemen als er geparkeerd wordt. Hierdoor zie en voel je dat er zich bomen, bladeren en gras bevindt op de plaats van parkeren en dat het geen parkeerplaats is.”
8. Het dossier bevat een aantal foto’s van de gedraging. De gemachtigde heeft foto’s van Google Street View van juli 2017, mei 2018 en maart 2019 overgelegd. Uit deze foto’s blijkt het volgende. Het voertuig van de betrokkene stond geparkeerd aan het begin van de straat in een korte strook gras aan de linkerzijde van de rijbaan naast een boom. In deze strook gras bevinden zich twee bomen. Aan de andere zijde van de grasstrook bevindt zich een heg.
9. Het hof is van oordeel dat de locatie waar het voertuig van de betrokkene staat geparkeerd, gelet op met name het formaat van de strook gras en de beplanting in en rond de strook gras, is aan te merken als een groenstrook. Dat er volgens de gemachtigde geen sprake is van een rand of een andere afscheiding tussen de strook gras en de rijbaan, betekent niet dat geen sprake kan zijn van een groenstrook. Het hof deelt niet het standpunt van de gemachtigde dat het terrein niet wordt onderhouden en er geen beplanting van enige betekenis is aangebracht. Op de foto’s is te zien dat het gras kort is, wat er op wijst dat het terrein wordt onderhouden. Ook de ambtenaar verklaart dat er sprake was van gras. Dat er regelmatig auto’s parkeren, maakt het voorgaande niet anders. De betrokkene heeft door zijn voertuig in de groenstrook te parkeren gehandeld in strijd met artikel 125, eerste lid, van de APV van de gemeente Tilburg. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de gedraging is verricht.
10. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep terecht ongegrond verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter daarom bevestigen.
11. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Van der Zee-Venema als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.