In deze ontnemingszaak is betrokkene in eerste aanleg veroordeeld voor witwassen over de periode van 15 januari 2016 tot en met 6 augustus 2019. Het hof heeft het hoger beroep behandeld en de vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel opnieuw beoordeeld.
Het hof heeft het rapport van 10 november 2019 en andere bewijsmiddelen, waaronder een kasopstelling en onderzoek naar geldstromen, betrokken bij de beoordeling. De verklaring van betrokkene over de herkomst van zijn vermogen is door het hof als onaannemelijk verworpen vanwege gebrek aan onderbouwing en verificatie.
Op basis van de berekeningen en het dossier stelt het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €53.008. Van dit bedrag wordt een vermindering toegepast van €14.335 wegens beslag en verbeurdverklaring in de hoofdzaak, waardoor de betalingsverplichting aan de Staat €38.673 bedraagt.
Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland en doet opnieuw recht door deze bedragen vast te stellen en de betalingsverplichting op te leggen. Tevens wordt de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 773 dagen.