ECLI:NL:GHARL:2021:5419

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2021
Publicatiedatum
2 juni 2021
Zaaknummer
21-004465-19
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 63 SrArt. 311 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor diefstal in vereniging met braak met voorwaardelijke gevangenisstraf en bijzondere voorwaarden

Verdachte werd in eerste aanleg door de politierechter veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken voor diefstal in vereniging met braak, gepleegd op 2 juli 2018 waarbij een boot werd weggenomen. Het hof vernietigde dit vonnis om proceseconomische redenen en deed opnieuw recht.

Uit het bewijs bleek dat verdachte samen met een ander een boot heeft weggenomen door middel van braak, waarbij ook schade werd toegebracht aan de buitenboordmotor. Verdachte heeft meerdere eerdere veroordelingen voor vermogensdelicten en erkende de feiten, waarbij hij verklaarde destijds onder invloed van drugs te hebben gehandeld.

Het hof hield rekening met de positieve veranderingen in de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals het stoppen met drugsgebruik, het inschakelen van hulpverlening via het FACT-team en zijn verantwoordelijkheidsgevoel richting zijn familie en jonge zoon. Daarom legde het hof een gevangenisstraf van 6 weken op, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, gekoppeld aan de bijzondere voorwaarde dat verdachte de begeleiding door het FACT-team voortzet.

De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf. Het hof gaf tevens opdracht aan de reclassering om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden. Hiermee wil het hof verdachte stimuleren zijn positieve weg voort te zetten en recidive voorkomen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 weken met een proeftijd van 3 jaar en bijzondere voorwaarde tot voortzetting van begeleiding door het FACT-team.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-004465-19
Uitspraak d.d.: 2 juni 2021
TEGENSPRAAK
Verkort arrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof ArnhemLeeuwarden, zittingsplaats Zwolle,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 9 augustus 2019 met parketnummer 18-720297-18 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 mei 2021 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van Pro het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis van de politierechter, bewezenverklaring van het tenlastegelegde en veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf van 3 weken, waarvan 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met als bijzondere voorwaarde het voortzetten van het contact met het FACT-team van VNN. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd tot veroordeling van verdachte tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. E.M. Bakx, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter heeft bij vonnis van 9 augustus 2019, waartegen het hoger beroep is gericht, verdachte ter zake van diefstal in vereniging en met verbreking veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken, met aftrek van de tijd die door verdachte in voorarrest is doorgebracht.
Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 2 juli 2018, te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een boot, merk Zodiac, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] , althans een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) die weg te nemen boot onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.
Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 2 juli 2018, te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een boot, merk Zodiac, toebehorende aan [naam] , waarbij verdachte en zijn mededader die weg te nemen boot onder hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak.
Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft samen met een ander een boot gestolen. Van de buitenboordmotor zijn een paar draden losgeknipt en de buitenboordmotor is losgedraaid. Hierop viel de buitenboordmotor in het water. Verdachte en medeverdachte hebben een eigen buitenboordmotor op de boot geplaatst. Het slot waarmee de boot aan een ketting lag is met een flex losgemaakt, waarop ze konden wegvaren. De boot is vervolgens voor de loods van verdachte neergezet. Met dit handelen heeft verdachte aangever schade en overlast berokkend. Hij heeft kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen persoonlijk financieel gewin en heeft in het geheel geen respect voor de eigendomsrechten van een ander.
Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 15 april 2021, waaruit volgt dat verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor vermogensdelicten. Deze veroordelingen en opgelegde straffen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Tevens blijkt uit voornoemd uittreksel dat verdachte na de pleegdatum van de thans ter beoordeling staande feiten een straf is opgelegd, zodat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Het hof houdt bij de strafoplegging tevens rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals door de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren gebracht ter terechtzitting van het hof. Verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep een bekennende verklaring afgelegd en heeft verklaard dat hij de delicten door zijn drugsgebruik destijds ‘in een roes’ heeft gepleegd. Verdachte is sinds tweeënhalve maand gestopt met het gebruiken van drugs, heeft op eigen initiatief hulpverlening van het FACT-team van VNN ingeschakeld en werkt in het bouwbedrijf van zijn broer. Zijn familie vormt voor hem een belangrijk netwerk en verdachte is door hen voor de keus gesteld. Verdachte voelt zich naar hen verplicht om tegenover hun geboden hulp zich verder te onthouden van drugsgebruik en het plegen van strafbare feiten. Ook voelt hij nu sterk de verantwoordelijkheid naar zijn zoontje van nu één jaar om zijn vaderschap op een goede manier in te vullen.
Gelet op al het voorgaande, in het bijzonder de ernst van de bewezenverklaarde feiten en het strafblad van verdachte, acht het hof – net als de politierechter – in beginsel oplegging van een gevangenisstraf van 6 weken, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden. Anders dan de politierechter zal het hof deze straf echter – met name gelet op de huidige persoonlijke omstandigheden van verdachte – geheel voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren. Nu het hof voortzetting van de begeleiding en hulpverlening door het FACT-team van VNN van groot belang acht, zal het hof deze hulpverlening en begeleiding als bijzondere voorwaarde aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf verbinden. Deze straf biedt verdachte de mogelijkheid de door hem – prille, maar positieve – ingeslagen weg voort te zetten en dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst nogmaals schuldig maakt aan een (soortgelijk) strafbaar feit.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
6 (zes) weken.
Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
3 (drie) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat:
- de veroordeelde de thans bestaande hulpverlening en begeleiding van het FACT team van VNN voortzet en dat hij, indien en voor zover het FACT team dit noodzakelijk acht, zich onder (ambulante) behandeling zal stellen, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen die de zorginstelling geeft in het kader van de behandeling. Deze behandeling duurt zolang als het FACT-team dan wel de zorginstelling dat noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Aldus gewezen door
mr. H.J. Deuring, voorzitter,
mr. M.B. de Wit en mr. J.G. Idsardi, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. K.M. Diender, griffier,
en op 2 juni 2021 ter openbare terechtzitting uitgesproken.