Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 2 juni 2021 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de politierechter van 10 mei 2019. Verdachte werd beschuldigd van diefstal van een portemonnee van een kwetsbare bewoonster van een verzorgingstehuis en huisvredebreuk. Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter, waarbij verdachte werd veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis.
Het hof verbeterde en vulde de bewijsvoering aan, waarbij werd vastgesteld dat verdachte vanuit de kamer van het slachtoffer naar de lift liep en daar door een collega van een getuige werd aangehouden. De portemonnee werd enige tijd later in een plantenbak bij de lift gevonden. De verklaringen van het slachtoffer en getuigen waren op hoofdlijnen consistent, ondanks kleine verschillen over de staat van een nachtkastjesslade, wat het hof als ondergeschikt beschouwde.
De strafrechtelijke overwegingen benadrukten de kwetsbaarheid van het slachtoffer, die 89 jaar oud was en haar deur nooit op slot deed vanwege haar rolstoelgebruik. Verdachte was binnengeslopen in de kamer van het slachtoffer en werd uiteindelijk aangehouden. Het hof vond de opgelegde taakstraf passend en geboden gezien de aard en ernst van de feiten.
Verder constateerde het hof een schending van artikel 6, eerste lid, EVRM vanwege de duur van de procedure tussen het instellen van het hoger beroep en het wijzen van het arrest, maar vond dat dit gezien de ernst van de zaak en geringe overschrijding kon worden volstaan met een enkele constatering.
Het hof bevestigde het vonnis van de politierechter met de genoemde aanpassingen en veroordeelde verdachte tot de taakstraf van 80 uren, met een subsidiaire hechtenisstraf van 40 dagen.