ECLI:NL:GHARL:2021:5479

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 juni 2021
Publicatiedatum
3 juni 2021
Zaaknummer
Wahv 200.250.962/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 WahvArt. 40.3 BopzBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen sanctie Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften wegens rijden met voertuig met scherpe delen

De betrokkene werd bij beschikking gesanctioneerd met een boete van €230 voor het rijden met een voertuig dat scherpe delen had. Deze gedraging vond plaats op 10 mei 2017 in Gouda. De betrokkene betwistte de gedraging niet, maar voerde aan dat zijn persoonlijke en financiële omstandigheden, waaronder een softdrugsverslaving, psychose en een uiterst beperkte financiële draagkracht, aanleiding geven tot matiging van de sanctie.

De kantonrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om proceskostenvergoeding af. Het hof oordeelt dat de omstandigheden bijzonder zijn en dat de financiële draagkracht en gezondheid van de betrokkene zodanig zijn dat matiging van de sanctie gerechtvaardigd is. Daarom stelt het hof de sanctie op nihil.

Daarnaast veroordeelt het hof de advocaat-generaal tot vergoeding van de proceskosten van de betrokkene, vastgesteld op €1068,-. Het arrest vernietigt de beslissing van de kantonrechter en wijzigt de sanctie van de officier van justitie.

Uitkomst: De sanctie wordt gematigd tot nihil vanwege bijzondere persoonlijke en financiële omstandigheden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.250.962/01
CJIB-nummer
: 207373017
Uitspraak d.d.
: 3 juni 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 9 november 2018, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 29 juli 2019 en 29 januari 2020 zijn nog brieven van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 230,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl het voertuig scherpe delen heeft”. Deze gedraging zou zijn verricht op 10 mei 2017 om 20.09 uur op de Plaswijckweg in Gouda met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gedraging wordt niet betwist, maar de gemachtigde doet een beroep op de persoonlijke en financiële omstandigheden van de betrokkene. De betrokkene heeft een softdrugsverslaving, vele boetes en geen inkomsten om de boetes van in totaal ruim € 6000,- te betalen. De kantonrechter heeft daarin aanleiding gezien de zekerheid op nihil te stellen. De gemachtigde voert verder aan dat de betrokkene begeleiding ontvangt op het gebied van inkomen, administratie, werk, huisvesting, lichamelijke en geestelijke gezondheid. In de brief gedateerd 28 januari 2020 beschrijft de gemachtigde dat de betrokkene in een psychose verkeert en is verplaatst naar de [naam] in het ziekenhuis in [plaats] . Ter onderbouwing zijn bijgevoegd een kennisgeving van de psychiater in het kader van Bopz-artikel 40.3 en een machtiging van de rechtbank Den Haag tot voortzetting van inbewaringstelling in een psychiatrisch ziekenhuis tot en met 27 december 2019.
3. De gedraging is verricht. Gelet op het gevoerde verweer dient het hof te beoordelen of er redenen zijn om het bedrag van de sanctie te matigen.
4. Op grond van artikel 2, derde lid, van de Wahv is de hoogte van de sanctie voor elke gedraging vastgesteld in de bij de wet behorende bijlage. Deze in hoge mate tariefmatige afdoening van gedragingen brengt mee dat de omstandigheden van het concrete geval niet licht van invloed zullen zijn op de hoogte van de opgelegde sanctie. Slechts bijzondere omstandigheden kunnen aanleiding geven om van de vastgestelde tarieven af te wijken.
5. Naar oordeel van het hof is hier sprake van dergelijke omstandigheden. Het hof ziet in de omstandigheden waarin de betrokkene verkeert en zijn uiterst beperkte financiële draagkracht aanleiding om het bedrag van de sanctie te matigen tot nihil. Nu de kantonrechter het te stellen bedrag aan zekerheid op nihil is gesteld, hoeft er geen restitutie van de zekerheidstelling plaats te vinden.
6. Voorgaande leidt tot onderstaande beslissing.
7. De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Aan het indienen van een administratief beroepschrift, een beroepschrift bij de kantonrechter, een hoger beroepschrift en het verschijnen ter zitting bij de kantonrechter dienen in totaal vier procespunten te worden toegekend. Ook aan het telefonisch horen door de officier van justitie dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het voor het horen door de officier van justitie toegekende punt halveren. De waarde per punt bedraagt € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van
€ 1068,-.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond;
wijzigt de beslissing van de officier van justitie, alsmede de inleidende beschikking in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt gematigd tot nihil;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 1068,-.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.