ECLI:NL:GHARL:2021:5480

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
3 juni 2021
Publicatiedatum
3 juni 2021
Zaaknummer
Wahv 200.255.965/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Wijma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 62 RVV 1990Art. 68 lid 1 onder c RVV 1990Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurder veroordeeld voor door rood rijden ondanks ontbreken gevaar

In deze zaak stond het hoger beroep centraal tegen een beslissing van de kantonrechter inzake een bestuursrechtelijke sanctie voor het niet stoppen voor rood licht. De betrokkene werd beboet voor het negeren van een rood verkeerslicht op de Oosterhoutseweg in Teteringen op 7 maart 2018. De gemachtigde van de betrokkene voerde aan dat de betrokkene door rood reed terwijl er geen verkeer was, en dat dit disproportioneel werd bestraft.

Het hof oordeelde dat de hoorplicht door de officier van justitie was geschonden omdat de gemachtigde weliswaar tijdig had gereageerd op de uitnodiging voor een hoorzitting, maar niet was gebeld op de afgesproken datum. Daarom werd de beslissing van de kantonrechter vernietigd en het beroep tegen de officier van justitie gegrond verklaard.

Desondanks stelde het hof vast dat de betrokkene de overtreding erkende en dat het RVV 1990 een absoluut stopgebod bij rood licht voorschrijft zonder uitzonderingen. De omstandigheden dat er geen gevaar of hinder was, konden de sanctie niet rechtvaardigen. Het beroep tegen de sanctie werd daarom ongegrond verklaard.

Het verzoek om proceskostenvergoeding werd afgewezen. Het arrest werd gewezen door mr. Wijma en uitgesproken in een openbare zitting te Leeuwarden op 3 juni 2021.

Uitkomst: Beslissing kantonrechter vernietigd wegens schending hoorplicht, maar sanctie van €160 voor door rood rijden blijft gehandhaafd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.255.965/01
CJIB-nummer
: 215015174
Uitspraak d.d.
: 3 juni 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank
Zeeland-West-Brabant van 8 januari 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is F.R. Eggink, kantoorhoudende te Almelo.

Het tussenarrest

De inhoud van het tussenarrest van 26 maart 2021 wordt hier overgenomen.

Het verdere procesverloop

De advocaat-generaal heeft de in het tussenarrest gevraagde informatie verstrekt.
Deze informatie is doorgestuurd naar de gemachtigde van de betrokkene. Deze heeft daar niet op gereageerd.

De beoordeling

1. In voormeld tussenarrest heeft het hof overwogen dat het zich onvoldoende voorgelicht acht over de vraag wanneer en naar wie de beslissing van de officier van justitie is verzonden en heeft daarom de advocaat-generaal verzocht om daarover nadere informatie te verstrekken.
2. In zijn reactie op het tussenarrest stelt de advocaat-generaal onder andere dat uit informatie van de beoordelaars is gebleken dat er geen motiveringsbrief is verzonden op 28 juni 2018 en geen beslissing op 6 juli 2018. De motivering van de beslissing is, zoals de gemachtigde heeft aangegeven, op 23 juli 2018 naar de gemachtigde verzonden.
3. Gelet op de door de advocaat-generaal verstrekte informatie is het hof van oordeel dat de gemachtigde van de betrokkene tijdig beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie. De kantonrechter heeft het beroep derhalve terecht ontvankelijk geacht.
4. De gemachtigde voert aan dat de kantonrechter ten onrechte niet heeft onderkend dat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden.
5. Uit het dossier blijkt het volgende. De officier van justitie heeft de gemachtigde bij brief van
13 mei 2018 uitgenodigd voor een hoorzitting op 26 juni 2018. Op het antwoordformulier staan in totaal vijftien zaken vermeld. De gemachtigde heeft de officier van justitie hierop bij brief van
25 mei 2018 bericht dat hij op 26 juni 2018 niet gehoord kan worden en dat hij niet afziet van het horen in het algemeen. Bij brief van 29 juni 2018 heeft de officier van justitie de gemachtigde opnieuw uitgenodigd voor een fysieke hoorzitting op 6 juli 2018 of voor een telefonische hoorzitting op 10 juli 2018. Daarop heeft de gemachtigde de officier van justitie bij brief van 2 juli 2018 laten weten dat hij de brief van 29 juni 2018 heeft ontvangen, maar dat hij niet alle door hem gevraagde stukken heeft ontvangen. Bij deze brief heeft hij het antwoordformulier gevoegd. Op dit formulier staan, zoals gezegd, in totaal vijftien zaken vermeld en bij zaaknummer 5 heeft de gemachtigde vermeld dat de foto ontbreekt. De onderhavige zaak staat vermeld bij nummer 8. De gemachtigde heeft hier ingevuld dat hij telefonisch gehoord wenste te worden op 10 juli 2018 om 11:00 uur en op het formulier heeft hij zijn mobiele nummer vermeld. In de beslissing op het administratief beroep overweegt de officier van justitie -onder meer- dat is afgezien van het horen, omdat geen gebruik is gemaakt van de aangeboden mogelijkheden.
6. Het hof stelt vast dat uit de stukken genoegzaam blijkt dat de gemachtigde bij brief van 2 juli 2018 heeft gerespondeerd op de uitnodigingsbrief voor de hoorzitting van 10 juli 2018. Uit de stukken blijkt echter niet dat de gemachtigde op voornoemde datum is gebeld. Nu zich geen gronden voordoen waarop van het horen kon worden afgezien, treft het verweer van de gemachtigde doel. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren en die beslissing vernietigen. De overige bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter en de officier van justitie behoeven daarom geen bespreking meer.
7. Ter beoordeling van het hof staat het beroep tegen de inleidende beschikking waarbij aan de betrokkene een sanctie is opgelegd van € 160,- voor: “niet stoppen voor rood licht: driekleurig verkeerslicht”. Deze gedraging zou zijn verricht op 7 maart 2018 om 16:49 uur op de Oosterhoutseweg in Teteringen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
8. De gemachtigde voert aan dat de betrokkene inderdaad door rood licht is gereden. Dit gebeurde op het moment dat er van beide kanten geen verkeer aankwam rijden. De betrokkene heeft waargenomen dat beide kanten vrij waren en is toen doorgereden. Dit is hetzelfde principe als dat de lampen uit zijn gezet, zo betoogt de gemachtigde. Van een weggebruiker kan worden verwacht dat hij kan uitkijken en een boete hiervoor is dan ook disproportioneel. Blijkbaar moet je als een robot blijven wachten, net zolang tot het groen wordt, terwijl er geen enkel verkeer is. Burgers laten wachten voor een apparaat dat notabene door de mens zelf is uitgevonden, is “treitergedrag” en een manier om maar zoveel mogelijk te kunnen cashen, aldus de gemachtigde. Daarnaast bevindt zich in het dossier, zo begrijpt het hof althans het standpunt van de gemachtigde, geen ambtsedige verklaring. Dit stuk kan in deze fase niet meer worden opgevraagd, zo stelt de gemachtigde.
9. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene erkent door rood licht te zijn gereden, staat vast dat de gedraging is verricht. Aan de klacht van de gemachtigde dat in het dossier een ambtsedige verklaring ontbreekt gaat het hof voorbij, gelet op het feit dat de gedraging wordt erkend en gelet op bestendige jurisprudentie van het hof dat een ambtsedig proces-verbaal geen vereiste is voor de vaststelling van een gedraging. Het hof dient, gelet op het gevoerde verweer, te beoordelen of er sprake is van omstandigheden die meebrengen dat het opleggen van een sanctie niet billijk is.
10. Het hof stelt voorop dat het bepaalde in artikel 62 in Pro verbinding met artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (hierna: RVV 1990) een absoluut gebod inhoudt. Het daarin bepaalde, noch enige andere bepaling van het RVV 1990, bevat een uitzondering op de verplichting te stoppen bij een rood verkeerslicht, in het bijzonder niet de uitzondering dat de veiligheid van het verkeer niet in gevaar is gebracht. Het staat de betrokkene ook niet vrij om naar eigen inzicht van deze bepaling af te wijken. Een en ander brengt mee dat een in strijd met deze bepaling verrichte gedraging op zichzelf reeds het opleggen van een administratieve sanctie kan rechtvaardigen. Dat de betrokkene geen gevaar of hinder voor andere voertuigen heeft veroorzaakt, kan hem daarom niet baten.
11. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding het bedrag van de sanctie te matigen. Het hof zal het beroep tegen de inleidende beschikking daarom ongegrond verklaren.
12. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Wijma, in tegenwoordigheid van mr. Pranger als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.