Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
NJ1989/610). De bestreden beschikking voldoet aan dit criterium.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De moeder en vader hebben een voorlopige omgangsregeling voor hun minderjarige kind overeengekomen, welke door de rechtbank is vastgesteld. Deze regeling was bedoeld als tijdelijke maatregel in afwachting van mediation en een definitieve beslissing.
De moeder stelde hoger beroep in tegen deze beschikking om de omgangsregeling te wijzigen. Het hof oordeelt dat tegen een tussenbeschikking die een zelf overeengekomen voorlopige regeling vastlegt geen hoger beroep mogelijk is, tenzij de beschikking onherroepelijk is en niet meer ongedaan kan worden gemaakt.
Omdat de voorlopige omgangsregeling niet onherroepelijk is en bovendien niet wordt nageleefd, en de moeder geen nieuwe feiten aanvoert, verklaart het hof haar niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De zaak wordt verwezen naar de rechtbank voor een definitieve beslissing na onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.
Uitkomst: De moeder wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de voorlopige omgangsregeling.