Art. 24 lid 1 sub d RVV 1990Artikel 5 WahvArtikel 2 Besluit proceskosten bestuursrechtArtikel 11 Besluit tarieven in strafzaken 2003
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Hoger beroep tegen sanctie parkeren op artsenparkeerplaats zonder esculaapsymbool
De betrokkene kreeg een sanctie van €95 wegens parkeren op een artsenparkeerplaats zonder vergunning, waarbij het bord een esculaapsymbool en het woord 'ARTS' bevatte. De betrokkene stelde dat het bord niet in het RVV 1990 was opgenomen en dat hij gerechtvaardigd vertrouwen had op toestemming om te parkeren. Het hof oordeelde dat het bord wel als bord E8 uit het RVV 1990 moet worden gezien en dat alleen voertuigen met een esculaapsymbool daar mogen parkeren.
De sanctie was terecht opgelegd aan de kentekenhouder omdat de bestuurder niet was aangetroffen. Het hof verwierp het verweer over gerechtvaardigd vertrouwen omdat de toezegging niet van het bevoegde bestuursorgaan kwam. Wel stelde het hof vast dat de officier van justitie de feitcode had gewijzigd, waardoor de betrokkene in het gelijk was gesteld en proceskostenvergoeding toekwam.
Het hof vernietigde het deel van de beslissing waarin de proceskostenvergoeding werd afgewezen en kende een vergoeding toe van in totaal €1.386,05. De beslissing van de kantonrechter werd bevestigd voor het overige, waarmee het beroep grotendeels werd afgewezen.
Uitkomst: Het hof bevestigt de sanctie voor parkeren zonder esculaapsymbool en kent proceskostenvergoeding toe wegens onjuiste feitcodewijziging.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.283.038/01
CJIB-nummer
: 223476226
Uitspraak d.d.
: 10 juni 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag van 10 juli 2020, betreffende
[betrokkene](hierna: de betrokkene),
wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.
De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard.
Het verloop van de procedure
De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter, waarbij is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft het beroep schriftelijk nader toegelicht, waarbij is gevraagd om de zaak op een zitting van het hof te behandelen.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen daarop te reageren. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De zaak is behandeld op de zitting van 27 mei 2021, waar de betrokkene en diens gemachtigde zijn verschenen en de advocaat-generaal is vertegenwoordigd door mr. [naam1] .
De beoordeling
1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 95,- voor: “als bestuurder een voertuig parkeren op een parkeerplaats voor vergunninghouders aangeduid door verkeersbord E9, zonder dat voor dat voertuig een vergunning tot parkeren op die plaats was verleend”. Deze gedraging zou zijn verricht op 13 februari 2019 om 19:44 uur op de Westhaven in Gouda met het voertuig met het kenteken [kenteken] . Uit informatie in het dossier volgt dat de officier van justitie in de administratief beroepsprocedure de feitcode heeft gewijzigd in R397D, inhoudende: “parkeren op parkeergelegenheid, terwijl voertuig niet tot aangegeven categorie of groep voertuigen behoorde”.
2. De betrokkene voert ter zitting aan dat dit een langlopende kwestie is. Hij woont in het centrum van Gouda waar al heel lang een parkeerprobleem speelt. Precies voor zijn woning staat een artsenparkeerplaats die bijna altijd leeg is. Op een gegeven moment heeft de betrokkene met de gemeente gebeld en hem is toen verteld dat, indien er geen kenteken is verbonden aan de betreffende parkeerplaats, het een vrije parkeerplaats is waar geparkeerd mag worden met een vergunning of indien ervoor betaald is. De betrokkene heeft toen besloten zijn voertuig daar neer te zetten op de momenten dat de plaats vrij was. Na een paar weken is hij gebeld door de politie met de mededeling dat zijn voertuig verplaatst moet worden. Bij zijn voertuig aangekomen, heeft de betrokkene met de ambtenaar gesproken die niet naar zijn verhaal wilde luisteren en hem een sanctie heeft opgelegd. Na het ontvangen van de boete heeft de betrokkene via de e-mail contact gehad met de gemeente. De parkeerservice van de gemeente heeft hem laten weten dat er enkel een boete kan worden opgelegd indien er geen vergunning is of niet is betaald voor het parkeren.
3. De gemachtigde van de betrokkene stelt zich allereerst op het standpunt dat oplegging van de onderhavige sanctie is gebaseerd op het negeren van een bord dat niet is neergelegd in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV 1990). Het betreft een bord waarop een ‘P’ en het woord ‘ARTS’ samen met een esculaapteken is aangebracht, maar dit maakt nog niet dat sprake is van een van de borden E5 tot en met E9 uit bijlage I van het RVV 1990. Op geen van die borden is het woord ‘ARTS’ te zien. Ook is de huidige feitcode niet de juiste. De feitcode ziet op categorieën voertuigen, terwijl een arts geen categorie voertuig is.
4. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal meent dat het bord is aan te merken als een bord E8 uit bijlage 1 van het RVV 1990. Volgens de advocaat-generaal mag niet iedere arts met elk voertuig daar parkeren, maar enkel een arts met een voertuig dat is voorzien van een esculaapsymbool. Dit betekent dat enkel een voertuig dat behoort tot die categorie daar mag parkeren.
5. De onderhavige gedraging, met feitcode R397D, ziet op overtreding van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder d, ten eerste, van het RVV 1990. Hierin is bepaald dat de bestuurder zijn voertuig niet mag parkeren op een parkeergelegenheid voor zover zijn voertuig niet behoort tot de op het bord of op het onderbord aangegeven voertuigcategorie of groep voertuigen. Het bord dat hier wordt bedoeld is het bord E8 uit bijlage 1 bij het RVV 1990.
6. Het dossier bevat een zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Naar aanleiding van een melding van de betreffende arts dat er iemand op zijn gereserveerde plek geparkeerd stond ter plaatse gegaan. Hiervoor was door een politie collega telefonisch contact opgenomen met de tenaamgestelde, welke zijn voertuig niet wenste weg te halen. Door mij is het voertuig, een groene Opel Astra voorzien van het kenteken [kenteken] , welke op de parkeerplek van de arts geparkeerd stond, rondom bekeken. Ik zag dat er op het voornoemde voertuig geen esculaap was aangebracht. Het bord dat het een artsenparkeerplek betrof, was duidelijk en zichtbaar aangebracht. Een foto van het verkeersbord is door mij bijgevoegd.(…)
Overtreden artikel: 24 lid 1 sub g RVV 1990. (…)
Reden geen staandehouding: geen betrokkene.(…)”
7. Op de foto’s van de gedraging is een voertuig te zien dat staat bij het volgende bord:
8. Dat het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond op de betreffende parkeerplaats waarop het hiervoor weergegeven bord betrekking had, staat niet ter discussie. De vraag is of dit bord kan worden aangemerkt als een bord E8 uit bijlage 1 van het RVV 1990, waarop het bepaalde in artikel 24, eerste lid, aanhef en onder d, ten eerste, van het RVV 1990 betrekking heeft.
9. Bord E8 geeft een parkeergelegenheid aan alleen bestemd voor de voertuigcategorie of groep voertuigen die op het bord is aangegeven. Het hof stelt vast dat op het betreffende bord, onder de ‘P’, een esculaapteken is aangebracht met daarachter het woord ‘ARTS’. Achterliggende gedachte van de plaatsing van dit bord is het reserveren van een parkeergelegenheid voor gebruik door een arts. De combinatie van de op het bord aangebrachte tekens houdt in dit licht aldus in dat daar enkel een artsenvoertuig mag worden geparkeerd. Een dusdanig voertuig kan worden herkend door het gebruik van het esculaapteken. Dit betekent dat enkel een voertuig voorzien van een dergelijk teken mag worden geparkeerd op de betreffende parkeergelegenheid.
10. Niet in het geding is dat het voertuig van de betrokkene niet was voorzien van een dergelijk teken. Dit betekent dat het voertuig van de betrokkene geparkeerd stond op een parkeergelegenheid, terwijl dat voertuig niet tot de aangegeven categorie van voertuigen behoorde.
11. De gemachtigde wijst er voorts op dat, zoals ter zitting naar voren is gebracht, de betrokkene met de ambtenaar heeft gesproken. Dit betekent dat de sanctie ten onrechte aan de kentekenhouder van het voertuig is opgelegd.
12. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal merkt hieromtrent op dat deze grond pas in hoger beroep, en aldus te laat, in het geding is gebracht. Daarnaast volgt uit de verklaring van de ambtenaar dat hij geen betrokkene bij het voertuig heeft aangetroffen. Hieruit volgt dat er geen reële mogelijkheid was tot staandehouding van de bestuurder van het voertuig en dat de sanctie terecht aan de kentekenhouder daarvan is opgelegd.
13. Uit artikel 5 vanPro de Wahv volgt het uitgangspunt dat wanneer een gedraging wordt geconstateerd, de ambtenaar de bestuurder staande houdt en zijn identiteit vaststelt, zodat hem een sanctie kan worden opgelegd. Slechts wanneer er geen reële mogelijkheid is geweest om de identiteit van de bestuurder vast te stellen, mag de sanctie aan de kentekenhouder worden opgelegd. Als op dit punt een verweer wordt gevoerd, zal de officier van justitie of de rechter daarop uitdrukkelijk moeten beslissen en zo nodig aan de ambtenaar een nadere toelichting moeten vragen.
14. Het hof is van oordeel dat de sanctie in dit geval terecht aan de kentekenhouder van het voertuig is opgelegd. Uit de verklaring van de ambtenaar zoals die is opgenomen in het zaakoverzicht volgt dat het voertuig van de betrokkene zonder bestuurder is aangetroffen. Dit betekent dat de sanctie terecht aan de kentekenhouder van het voertuig is opgelegd. Hetgeen tegenover die verklaring is aangevoerd, geeft het hof geen reden daaraan te twijfelen. Dat de bestuurder en de ambtenaar elkaar hebben gesproken, is niet aannemelijk gemaakt. Het verweer faalt.
15. De gemachtigde meent verder dat de betrokkene aan de namens de gemeente gedane toezegging het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat geen sanctie zou worden opgelegd. Dat de sanctie in de onderhavige situatie is opgelegd door een ambtenaar van politie, en aldus door een ander bestuursorgaan, maakt niet dat het in de gegeven omstandigheden billijk is om de sanctie in stand te houden.
16. De vertegenwoordiger van de advocaat-generaal voert in dit verband aan dat om twee redenen niet kan worden gesproken van een toezegging waaraan de betrokkene het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat niet zou worden gehandhaafd. Enerzijds volgt uit de e-mailwisseling dat pas achteraf, nadat de sanctie was gevolgd, contact met de gemeente is geweest en anderzijds betreft dit niet het bestuursorgaan dat de sanctie heeft opgelegd.
17. Het hof is, gelet op hetgeen namens de betrokkene naar voren is gebracht en de e-mailwisseling zoals die zich tussen de stukken van het dossier bevindt, van oordeel dat het hier niet gaat om een aanwijzing gedaan door een in dit geval bevoegde autoriteit, zodat de betrokkene daaraan niet het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat het voor hem was toegestaan te parkeren op de betreffende parkeergelegenheid zonder dat zou worden gehandhaafd. De aan de betrokkene gerichte e-mail is afkomstig van een medewerker van de gemeente Gouda, terwijl uit de gegevens in het zaakoverzicht volgt dat de sanctie is opgelegd door ambtenaar [naam2] , aangesteld als hoofdagent bij de politie Hollands Midden en in die hoedanigheid bevoegd tot handhaving op grond van - onder andere - de bepalingen bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994. Ook dit verweer faalt. Ook anderszins ziet het hof geen aanleiding voor matiging of nihilstelling van het sanctiebedrag. Dit betekent dat de gedraging vaststaat en dat hiervoor terecht een sanctie is opgelegd aan de betrokkene als kentekenhouder van het voertuig. Dit betekent dat de kantonrechter een juiste beslissing heeft genomen door het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond te verklaren.
18. Ten slotte merkt de gemachtigde op dat de feitcode is gewijzigd, maar dat daarvoor ten onrechte geen proceskostenvergoeding is toegekend door de officier van justitie en de kantonrechter. Ook in hoger beroep is volgens de gemachtigde een proceskostenvergoeding op zijn plaats, tevens inhoudende een reis- en verletkostenvergoeding ad € 60,- per uur maal acht, exclusief btw. De betrokkene werkt als (zelfstandig) financieel adviseur.
19. Het hof stelt vast dat de officier van justitie, beslissende op het administratief beroep, de omschrijving van de gedraging en de feitcode heeft gewijzigd. Dit betekent dat de betrokkene in het gelijk is gesteld, zoals bedoeld in de arresten van het hof van 28 april 2020 (vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336) en 1 april 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:1786). Dit brengt mee dat aanleiding bestond tot het toekennen van een proceskostenvergoeding in administratief beroep.
20. De beslissing van de kantonrechter wordt in zoverre dan ook vernietigd. Het hof zal voorts, doende hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaren voor zover daarbij het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen en die beslissing in zoverre vernietigen.
21. Het hof zal een vergoeding toekennen voor de proceskosten in administratief beroep. Aan het indienen van het administratief beroepschrift dient in totaal één procespunt te worden toegekend. Ook aan het telefonisch horen door de officier van justitie dient één punt te worden toegekend. Gelet op de door de gemachtigde geleverde inspanning zal het hof met gebruikmaking van de matigingsbevoegdheid als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, het voor het horen door de officier van justitie toegekende punt halveren. De waarde per punt bedraagt € 534,- en gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toegepast. Aldus is sprake van de kosten tot een bedrag van € 400,50.
22. Naar het oordeel van het hof bestaat in het onderhavige geval tevens aanleiding voor het toekennen van een proceskostenvergoeding voor de procedure bij de kantonrechter en die in hoger beroep. De officier van justitie heeft de betrokkene in het gelijk gesteld in de zin van voormelde arresten, maar ten onrechte geen proceskostenvergoeding toegekend. De gemachtigde van de betrokkene heeft vervolgens de rechtsmiddelen van beroep bij de kantonrechter en hoger beroep moeten aanwenden om alsnog een proceskostenvergoeding te krijgen. Het is dan ook redelijk om hiervoor een proceskostenvergoeding toe te kennen.
23. Aan het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter, het deelnemen aan de telefonische zitting bij de kantonrechter, het indienen van het hoger beroepschrift, het indienen van de nadere toelichting en het verschijnen ter zitting van het hof dient vierenhalf procespunt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 534,-. Voor de vaststelling van de vergoeding van de gemaakte proceskosten wordt de wegingsfactor 0,25 (gewicht van de zaak = zeer licht) toegepast (zie het hiervoor vermelde arrest van het hof van 1 april 2021). Aldus bedraagt de vergoeding voor de deze proceskosten € 600,75.
24. Het hof acht daarnaast termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reis- en verletkosten die de betrokkene heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting in hoger beroep.
25. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op een bedrag van € 54,80 (Gouda - Leeuwarden v.v. per trein).
26. De verletkosten worden - ingevolge artikel 2, eerste lid, onder e, van het Bpb - vastgesteld overeenkomstig een tarief dat, afhankelijk van de omstandigheden, tussen € 7,- en € 88,- per uur bedraagt. Het hof acht het redelijk aan de betrokkene voor het bijwonen van de zitting van het hof (gelet op de reis- en zittingsduur) 5,5 uren toe te kennen tegen het door de betrokkene opgegeven uurloon van € 60,-. Aan de betrokkene zal derhalve een bedrag van € 330,- aan verletkosten worden vergoed.
De beslissing
Het gerechtshof:
vernietigt de beslissing van de kantonrechter, voor zover daarbij geen proceskostenvergoeding is toegekend;
verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing voor zover daarbij geen proceskostenvergoeding is toegekend;
veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene van in totaal € 1.386,05;
bevestigt de beslissing van de kantonrechter voor het overige.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.