ECLI:NL:GHARL:2021:5844

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 juni 2021
Publicatiedatum
15 juni 2021
Zaaknummer
Wahv 200.225.114/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Witt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.4.1 Regeling voertuigenArt. 7:24 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging boete wegens onleesbaar kenteken op motorfiets door verkeerde montage

De betrokkene werd beboet voor het rijden met een kenteken dat niet goed leesbaar was, omdat de kentekenplaat onder een hoek van ongeveer 45 graden tegen het achterlicht van de motorfiets was gemonteerd. De kantonrechter verklaarde het beroep van de betrokkene tegen de boete ongegrond en wees verzoeken tot proceskostenvergoeding en dwangsom af.

In hoger beroep werd betoogd dat de overtreding niet voldoende was vastgesteld en dat de ambtseedverklaring ontbrak. Het hof verwierp deze verweren, onder meer omdat het dossier een op ambtseed opgemaakt aanvullend proces-verbaal bevatte en de foto’s en verklaringen duidelijk maakten dat het kenteken niet goed leesbaar was voor een waarnemer op 20 meter afstand.

Verder werd aangevoerd dat de officier van justitie een dwangsom had verbeurd wegens te late beslissing op het administratief beroep. Het hof oordeelde dat de ingebrekestelling prematuur was en dat de termijnverlenging correct was meegedeeld, waardoor geen dwangsom verschuldigd was.

Het hof bevestigde de beslissing van de kantonrechter, wees het verzoek tot proceskostenvergoeding af en vulde de gronden voor de afwijzing van de dwangsom aan.

Uitkomst: De boete van €130 wegens het rijden met een onleesbaar kenteken wordt bevestigd en verzoeken tot proceskostenvergoeding en dwangsom worden afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.225.114/01
CJIB-nummer
: 194390541
Uitspraak d.d.
: 15 juni 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland van 22 augustus 2017, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is mr. J.M.C. Niederer, kantoorhoudende te Helmond.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond verklaard, die beslissing vernietigd en het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen door de kantonrechter. Daarnaast is het verzoek tot toekenning van een dwangsom afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft de gelegenheid gekregen een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
Op 23 januari 2018 en 16 juli 2018 zijn nog brieven van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

De beoordeling

1. Het hof verwerpt het verweer van de gemachtigde van de betrokkene dat een proces-verbaal van de zitting ontbreekt, nu de beslissing van de kantonrechter is opgenomen in een proces-verbaal, dat een weergave bevat van wat is voorgevallen ter zitting.
2. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 130,- voor: “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl het kenteken niet goed leesbaar is”. Deze gedraging zou zijn verricht op 22 december 2015 om 14.52 uur op de Larsersdreef in Lelystad met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
3. De gemachtigde voert aan dat de gedraging niet in afdoende mate is komen vast te staan. Er is geen sprake van een op ambtseed opgemaakte verklaring. Daarnaast is de foto van de betrokkene duidelijk.
4. Het verweer ten aanzien van de ambtsedige verklaring in het dossier is al vele malen aan het hof voorgelegd, en inmiddels vele malen verworpen. Het hof zal volstaan met verwerping van het verweer. Bovendien bevat het dossier een op ambtseed opgemaakt aanvullend proces-verbaal.
5. De gegevens waarop de ambtenaar zich bij de oplegging van de sanctie heeft gebaseerd, zijn opgenomen in het zaakoverzicht. Dit zaakoverzicht bevat de informatie die in de inleidende beschikking is vermeld en daarnaast onder meer de volgende gegevens:
“Het kenteken van het voertuig was anders gemonteerd. Ook zat er geen kentekenplaatverlichting op.”
6. Verder bevat het dossier een aanvullend proces-verbaal waarin de ambtenaar onder meer verklaart:
“Ik, verbalisant, zag dat de kentekenplaat van de genoemde motorfiets hoog boven het achterwiel tegen het achterspatbord gemonteerd was, waardoor deze tegen het achterlicht van deze motorfiets aan zat, - zie foto in de bijlage.
Deze kentekenplaat moet volgens de permanente voertuigeisen in de Regeling voertuigen artikel 5.4.1 lid 3, aan de achterzijde van de motorfiets deugdelijk zijn gemonteerd. Dit was niet het geval.”
Bij het proces-verbaal bevindt zich ook de brief die de ambtenaar naar de RDW heeft gestuurd om een “wachten op keuring-status” voor het voertuig aan te melden. Daarin staat onder het kopje technisch gebrek onder meer dat de kentekenplaat niet zichtbaar is en niet is voorzien van verlichting.
7. Het dossier bevat een foto van de gedraging die door de ambtenaar bij het proces-verbaal gevoegd is waarop te zien is dat de kentekenplaat onder een helling van ongeveer 45 graden tegen het achterlicht van de motor is gemonteerd, waarbij de bovenrand van de kentekenplaat niet zichtbaar is.
8. Onderhavige gedraging betreft een overtreding van artikel 5.4.1 van de Regeling voertuigen (Rv). Dit artikel luidt – voor zover van belang - :
“ 3. De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van Pro het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd.
4. Het kenteken moet goed zichtbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd.”
Verder staat in artikel 5.4.1 van de Rv bij de wijze van keuren:
“Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
4. Visuele controle waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de motorfiets staat.”
9. Gelet op het samenstel van de verklaringen van de ambtenaar en de foto van de gedraging stelt het hof vast dat de gedraging is verricht. Hoewel op de foto van de motorfiets die de gemachtigde aan het dossier heeft gevoegd het kenteken leesbaar is, kan dit de betrokkene niet baten. De foto is namelijk van bovenaf en vlak achter de motorfiets genomen, op een afstand van ongeveer een meter. Mede gelet op de hoek van ongeveer 45 graden waaronder de kentekenplaat is gemonteerd, blijkt uit deze foto dan ook niet dat het kenteken goed leesbaar is voor een waarnemer op 20 meter achter het midden van de motorfiets.
10. Gelet op het voorgaande heeft de kantonrechter het beroep tegen de inleidende beschikking terecht ongegrond verklaard.
11. Verder voert de gemachtigde aan dat de officier van justitie een dwangsom heeft verbeurd wegens het te laat beslissen op het administratief beroep. Bij de kantonrechter heeft de gemachtigde aangevoerd dat de betrokkene de brieven van 18 maart 2016 en 13 juni 2016 voor het eerst trof in het dossier dat door de kantonrechter is verstrekt. Op 18 juni 2016 is de officier van justitie in gebreke gesteld, terwijl op 10 augustus 2016 is beslist.
12. Ingevolge artikel 7:24, eerste en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist het beroepsorgaan beslist binnen zestien weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken en wordt de termijn opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 te Pro herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
Gelet op de verzenddatum van de inleidende beschikking (30 december 2015) en de opschorting van deze termijn van 18 maart 2016 tot 31maart 2016, liep de beslistermijn op 13 juni 2016 af. In het dossier bevindt zich de aan de gemachtigde van de betrokkene gerichte en correct geadresseerde brief van de officier van justitie van 13 juni 2016, waarin wordt meegedeeld dat de beslistermijn met tien weken wordt verlengd. De gemachtigde heeft de ontvangst van deze brief in het hoger beroepschrift niet betwist. Op 18 juli 2018 heeft de gemachtigde een brief naar het hof verzonden, onder verwijzing naar een bijlage met zaaknummers, waarin is gesteld dat “indien een brief of processtuk naar zowel appellant als de gemachtigde van de appellant verzonden zou zijn, wordt bedoeld dat beiden die brief of dat stuk niet hebben ontvangen”. Bedoelde brief bevat geen enkele (inhoudelijke) verwijzing naar de onderhavige zaak.
13. Het hof stelt vast dat het hoger beroepschrift niet anders kan worden gelezen dan dat de betrokkene geen verzuimbrief heeft ontvangen en dat er niet over wordt geklaagd dat de gemachtigde geen verzuimbrief heeft ontvangen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat in het beroepschrift onderscheid wordt gemaakt tussen “appellant" dan wel "betrokkene” enerzijds en “gemachtigde” anderzijds en dat van de gemachtigde van de betrokkene, als professioneel rechtsbijstandverlener, mag worden verwacht dat hij zich adequaat uitdrukt en de betekenis kent van de door hem gehanteerde terminologie. Dit brengt mee dat het hof hetgeen in de brief van 18 juli 2018 wordt aangevoerd beschouwt als een niet geloofwaardige stelling en om die reden hieraan voorbijgaat. Het hof komt tot de slotsom dat de op 18 juni 2016 ontvangen ingebrekestelling prematuur was en dat de kantonrechter terecht heeft overwogen dat geen dwangsom was verschuldigd. Omdat de kantonrechter zijn beslissing omtrent de verschuldigdheid van een dwangsom niet (nader) heeft onderbouwd, zal het hof de gronden in zoverre aanvullen.
14. Nu de betrokkene niet in het gelijk is gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. het arrest van het hof van 28 april 2020, vindplaats op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter, met aanvulling van de gronden waarop deze berust;
wijst het verzoek tot vergoeding van kosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. De Witt, in tegenwoordigheid van mr. Wijmenga als griffier en op een openbare zitting uitgesproken.