ECLI:NL:GHARL:2021:5846

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
15 juni 2021
Publicatiedatum
15 juni 2021
Zaaknummer
Wahv 200.262.168/01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Van Schuijlenburg
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging sanctie voor veroorzaken van hinder door blokkeren kruispunt met voertuig

De betrokkene kreeg een sanctie opgelegd van €140 wegens het zodanig plaatsen van een voertuig dat het verkeer werd gehinderd op de Jacob Catsstraat in Rotterdam op 24 maart 2018. De betrokkene stelde dat een specifiekere feitcode voor het blokkeren van een kruispunt van toepassing was, maar het hof oordeelde dat de algemene overtreding van artikel 5 WVW Pro 1994 terecht werd toegepast.

De ambtenaar verklaarde dat het voertuig op de rijbaan geparkeerd stond en de bestuurder met een ander sprak, waardoor het overige verkeer niet kon passeren en hinder ondervond. Dit werd bevestigd in het proces-verbaal, waarin werd beschreven dat het overige verkeer meerdere malen claxonneerde vanwege de blokkade.

Het hof stelde vast dat het stilstaan op het kruispunt daadwerkelijk hinder veroorzaakte en dat het opleggen van een sanctie op grond van artikel 5 WVW Pro 1994 gerechtvaardigd was. Het feit dat er ook een specifieke feitcode bestaat voor het blokkeren van een kruispunt deed hieraan niet af. Het beroep van de betrokkene werd ongegrond verklaard en het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen.

Uitkomst: De sanctie van €140 voor het veroorzaken van hinder door het voertuig op de weg te plaatsen wordt bevestigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer
: Wahv 200.262.168/01
CJIB-nummer
: 215476635
Uitspraak d.d.
: 15 juni 2021
Arrestop het hoger beroep inzake de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) tegen de beslissing van de kantonrechter van de rechtbank Rotterdam van 17 mei 2019, betreffende

[betrokkene] (hierna: de betrokkene),

wonende te [woonplaats] .
De gemachtigde van de betrokkene is B. de Jong LLB., kantoorhoudende te Gouda.

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond verklaard. Het verzoek om een proceskostenvergoeding is afgewezen.

Het verloop van de procedure

De gemachtigde van de betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de kantonrechter. Er is gevraagd om een proceskostenvergoeding.
De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.
De gemachtigde van de betrokkene heeft de gelegenheid gekregen het beroep schriftelijk nader toe te lichten. Van die gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

De beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd van € 140,- voor: “voertuig zodanig op de weg laten staan dat gevaar wordt/kan worden veroorzaakt of verkeer wordt/kan worden gehinderd”. Deze gedraging zou zijn verricht op 24 maart 2018 om 17:12 uur op de Jacob Catsstraat in Rotterdam met het voertuig met het kenteken [kenteken] .
2. De gemachtigde stelt zich op het standpunt dat de inleidende beschikking geen stand kan houden, nu ten onrechte is gesanctioneerd voor de algemene feitcode behorend bij overtreding van het bepaalde in artikel 5 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994), terwijl een meer specifieke feitcode van toepassing is op de onderhavige situatie (R331: een kruispunt blokkeren). In die feitcode is het veroorzaken van hinder reeds verdisconteerd. Het stond de ambtenaar derhalve niet vrij om te schrijven voor een andere, meer algemene, feitcode. Nu bij feitcode R331een hoger sanctiebedrag hoort, is wijziging van de feitcode geen optie.
3. De onder 1. vermelde gedraging is een overtreding van artikel 5 van Pro de WVW 1994 dat luidt:
“Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaar op de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeer op de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd.”
4. De verklaring van de ambtenaar in het zaakoverzicht houdt onder meer het volgende in:
“Ik zag dat het voertuig op zodanige wijze op de weg stond waardoor de doorgang voor het verkeer werd, dan wel kon worden, geblokkeerd. De situatie was als volgt: voertuig stond op de rijbaan geparkeerd en de bestuurder stond met een bestuurder van een voertuig te praten. Hierdoor kon het overige verkeer er niet langs. Het overige verkeer werd gehinderd.”
5. De stukken van het dossier behelzen daarnaast een door de ambtenaar op 16 mei 2018 op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal waarin – voor zover relevant – het volgende is opgenomen:
“Op zaterdag 24 maart 2018 omstreeks 17:12 reed ik, verbalisant [verbalisant] , in een burgermotorvoertuig op de Zwart Janstraat in de richting van de Jacob Catsstraat te Rotterdam. Ik zag op de kruising van de Jacob Catsstraat en de Zwart Janstraat een motorvoertuig stilstaan voorzien van het kenteken [kenteken] , van het merk Volkswagen, type Polo, kleur grijs. Ik zag dat de bestuurder van de Volkswagen met de bestuurder van een ander motorvoertuig van het merk Daewoo, type Kalos, kleur zwart, zat te praten uit de Volkswagen. Ik zag dat het andere motorvoertuig Daewoo op de Zwart Janstraat en Jacob Catsstraat stilstond. Hierdoor werd het overige verkeer op de voornoemde kruising gestremd. Hierop begon het overige verkeer meerdere malen te claxonneren. Ik zag dat de bestuurder van de Volkswagen verder sprak met de bestuurder van de Daewoo. Ik zag dat de beide bestuurders naar elkaar aan het lachen waren en niet doorreden met hun motorvoertuigen.”
6. Uit voormelde verklaring van de ambtenaar kan worden afgeleid dat het voertuig van de betrokkene stilstond op een kruispunt en dat dit hinder opleverde voor andere weggebruikers. Niet valt in te zien waarom het de ambtenaar in deze situatie niet vrijstond om een sanctie op te leggen op grond van artikel 5 WVW Pro 1994. Dat voor het stilstaan c.q. parkeren bij een kruispunt specifieke feitcodes in het leven zijn geroepen, maakt niet dat in de onderhavige situatie, nu niet alle geconstateerde hinder geacht kan worden te zijn verdisconteerd in één van die gedragingen, geen sanctie kon worden opgelegd voor overtreding van het bepaalde in artikel 5 WVW Pro 1994.
7. Voorgaande betekent dat de kantonrechter heeft het beroep terecht ongegrond heeft verklaard en dat die beslissing zal worden bevestigd. Nu de betrokkene niet in het gelijk wordt gesteld, zal het verzoek om een proceskostenvergoeding worden afgewezen (vgl. de arresten van het hof van 28 april 2020 en 1 april 2021, vindplaatsen op rechtspraak.nl: ECLI:NL:GHARL:2020:3336 en 2021:1786).

De beslissing

Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing van de kantonrechter;
wijst het verzoek om vergoeding van proceskosten af.
Dit arrest is gewezen door mr. Van Schuijlenburg, in tegenwoordigheid van mr. Lageveen als griffier, en op een openbare zitting uitgesproken.