Deze zaak betreft het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank Midden-Nederland die het gezag van de vader over vier kinderen en het gezag van de vader en stiefmoeder over drie kinderen beëindigde. De kinderen zijn afkomstig uit Oeganda en verblijven in verschillende gezinshuizen en bij een pleegmoeder. De rechtbank benoemde de Jeugd- & Gezinsbeschermers tot voogd.
De ouders zijn het niet eens met de gezagsbeëindiging en vorderen in hoger beroep dat het gezag wordt gehandhaafd. De raad voor de kinderbescherming en de Jeugd- & Gezinsbeschermers steunen grotendeels de beslissing van de rechtbank, hoewel de Jeugd- & Gezinsbeschermers een ander standpunt inneemt ten aanzien van het jongste kind.
Het hof oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en het Nederlands recht van toepassing is. Uit onderzoek blijkt dat de oudste zes kinderen mishandeld zijn en traumatische ervaringen hebben opgelopen, wat heeft geleid tot uithuisplaatsing en gedragsproblemen. Het jongste kind vertoont tekenen van trauma en hechtingsproblemen bij de pleegmoeder.
Hoewel de ouders zich hebben ingezet voor het jongste kind, is het hof van oordeel dat het gezag over alle kinderen moet worden beëindigd. De aanvaardbare termijn voor herstel is verstreken, en het belang van de kinderen bij continuïteit en veiligheid prevaleert boven de belangen van de ouders. Het hof bekrachtigt daarom het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep af.